is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1600. Dat de woorden: „De mannen van Sodom waren boos en groote zondaars voor Jehovah" de begeerten beteekenen, tot waarheen de wetenschappelijke dingen zich uitstrekten, kan blijken uit de beteekenis van Sodom, waarover eerder is gehandeld, namelijk dat het de begeerten is; en uit de beteekenis van de mannen, namelijk dat zij de verstandelijke en de redelijke dingen zijn, hier de wetenschappelijke dingen, omdat zij in verband staan met den uiterlijken mensch, wanneer hij van den innerlijken gescheiden is; dat de mannen de verstandelijke of de redelijke dingen beteekenen, is ook reeds eerder in de nrs. 265, 749 en 1007 aangetoond. Van de wetenschappelijke dingen wordt gezegd, dat zij zich tot aan de begeerten toe uitstrekken, wanneer zij met geen ander doel geleerd worden, dan dat de mensch groot zou worden, en niet om hem tot nut te strekken om daardoor goed te worden; alle wetenschappelijke dingen zijn met het doel gegeven, dat de mensch redelijk en aldus wijs zou kunnen worden, en aldus den innerlijken mensch zou kunnen dienen.

1601. Vers 14. En Jehovah zeide tot Abram, nadat Loth van hem gescheiden was: Hef, Ik bid u, uwe oogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Jehovah zeide tot Abram, beteekent, dat Jehovah aldus tot den Heer heeft gesproken; nadat Loth van hem gescheiden was, beteekent, toen de begeerten van den uiterlijken mensch verwijderd waren, zoodat zij niet hinderden; hef, Ik bid u, uwe oogen op, en zie van de plaats waar gij zijt, beteekent den staat, waarin de Heer toen was, van waaruit Hij de toekomst kon gewaarworden; noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts beteekent allen die in het heelal zijn, hoevelen het er ook mogen wezen.

1602. Dat „Jehovah zeide tot Abram" beteekent, dat Jehovah aldus tot den Heer heeft gesproken, kan uit den innerlijken zin blijken, waarin onder Abram de Heer wordt verstaan; voorts ook uit den staat zelf, waarin Hij toen was, welke hier ook beschreven wordt, namelijk, dat de uiterlijke dingen, die hinderden, verwijderd werden, hetgeen wordt aangeduid met de woorden: „nadat Loth van hem gescheiden was".