is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„heerlijken, en Hij zal Hem terstond verheerlijken" (13 : 31, 32). Bij denzelfde: „Vader, de ure is gekomen, „verheerlijk Uwen Zoon, opdat ook Uw Zoon U verdeerlijke; nu dan, verheerlijk Mij, Gij Vader, bij U „Zeiven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de „wereld was" (17 : 1, 5). Bij denzelfde: „Jezus zeide: „Vader, verheerlijk Uwen Naam. Er kwam dan eene „stem uit den hemel: En Ik heb Hem verheerlijkt, en „Ik zal Hem wederom verheerlijken" (12 : 28).

1604. Dat de woorden: „hef, Ik bid u, uwe oogen op, en zie van de plaats waar gij zijt" den staat beteekenen, waarin de Heer toen was, blijkt uit de beteekenis van de oogen opheffen en zien, zijnde verlicht worden en gewaarworden, waarover boven bij vers 10 is gehandeld; en uit de beteekenis van de plaats in den innerlijken zin, zijnde de staat; dat de plaats niets anders is dan de staat, is in de nrs. 1274, 1376, 1377, 1378, 1379 aangetoond.

1605. Dat „noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts" allen die in het heelal zijn beteekent, hoevelen het er ook mogen wezen, blijkt uit de beteekenis dezer woorden; noorden, zuiden, oosten en westen beteekenen in het Woord elk iets op zichzelf; het noorden duidt hen aan, die buiten de Kerk zijn, diegenen namelijk die in duisternis ten aanzien van de waarheden des geloofs verkeeren; voorts beteekent het ook de duisternis bij den mensch. Het zuiden duidt echter hen aan, die binnen de Kerk zijn, diegenen namelijk, die in het licht zijn ten aanzien van de erkentenissen; desgelijks ook het licht zelf. Het oosten duidt hen aan, die vroeger geweest zijn, voorts ook de hemelsche liefde, als eerder aangetoond. Het westen beteekent echter hen, die komen zullen; desgelijks diegenen, die niet in de liefde zijn. Wat deze woorden beteekenen, blijkt uit het verband in den innerlijken zin; wanneer zij echter alle genoemd worden, zooals hier: noorden, zuiden, oosten en westen, beteekenen zij allen over het gansche aardrijk die leven, voorts ook hen die geweest zijn en die komen zullen. Zij beteekenen ook de staten van het menschelijk geslacht ten aanzien van de liefde en van het geloof.

1606. Vers 15. Want al het land, dat gij ziet, aan u zal Ik het geven, en aan uw, zaad tat in eeuwigheid.

18