is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„sloten in de hand des vijands, Gij hebt mijne voeten „doen staan in de breedte" (Psalm 31 : 9); staan in de breedte voor in het ware. Bij denzelfde: „Uit de benauwdheid heb ik Jehovah aangeroepen, Hij antwoordt „mij in de breedte" (Psalm 118 : 5); antwoorden in de breedte voor in de waarheid. Bij Hosea: „Jehovah zal „hen weiden als een lam in de breedte" (4 : 16); weiden in de breedte voor het ware leeren. Bij Jesaja: „Aschur „zal door Jehudah gaan, hij zal overstroomen en doortrekken, hij zal tot aan den hals reiken, en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen de volheid zijn der „breedte des lands" (8 : 8); Aschur staat voor de redeneering, welke de aarde of de Kerk zal overstroomen; de vleugelen voor de spitsvondigheden waaruit valschheden voortkomen; de volheid der breedte voor vol van valschheden of van dingen die tegen het ware indruischen. Daar de lengte des lands het goede beteekende, en zijn breedte het ware, wordt van het nieuwe Jeruzalem gezegd, „dat het gemeten is en vierkant lag, en „zijne lengte was zoo groot als de breedte" (Openb. 21 : 16), waaruit een ieder kan zien, dat de lengte en de breedte niets anders beteekent, aangezien het Nieuwe Jeruzalem niets anders is dan het Rijk des Heeren in de Hemelen en op aarde. Door de beteekenis der dingen in den innerlijken zin, zijn de spreekwijzen omtrent hemelsche en geestelijke dingen, ontleend aan dergelijke dingen welke op aarde zijn als lengten en breedten, oudtijds hoogst gebruikelijk geworden, zooals ook heden ten dage de hoogte en de diepte in de gewone spreektaal worden gebruikt, wanneer van de wijsheid gesproken wordt.

1614. Dat de woorden: „want Ik zal het u geven" beteekenen, dat het Hem zou toebehooren, blijkt zonder verklaring. Dat de aarde of het hemelsche Rijk den Heer alleen toebehoort, blijkt uit hetgeen herhaaldelijk is aangetoond, namelijk dat geen ander de Heer des Hemels is; en daar Hij de Heer des Hemels is, is Hij ook de Heer der Kerk. Het blijkt ook hieruit, dat al het hemelsche en geestelijke, of al het goede en ware, van den Heer Alleen is, krachtens hetwelk de Heer alles in allen van Zijn Hemel is, en wel zoozeer, dat wie niet bemerkt dat het goede en het ware van den Heer uit-