is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derzulken het Koninkrijk Gods is. Deze inplanting geschiedt door den Heer alleen; daarom bestaat er niets hemelsch hij den mensoh, en kan er ook niets bestaan, dat niet van den Heer is en dat den Heer niet toebehoort. De Heer heeft echter uit eigen vermogen Zijn Uiterlijken Mensch met den Innerlijken verbonden, en de erkentenissen met hemelsche dingen gevuld, en deze in de hemelsche dingen ingeplant en wel overeenkomstig de Goddelijke orde, eerst in de hemelsche dingen der knapenjaren, daarna in de hemelsche dingen van den leeftijd tusschen de knapenjaren en de kindsheid, tenslotte in de hemelsche dingen van Zijne kindsheid zelve; aldus werd Hij tegelijkertijd naar Zijn Menschelijk Wezen de Onschuld Zelve en de Liefde Zelve, en van deze komen alle onschuld en alle liefde in de Hemelen en op aarde. Zulk eene Onschuld is de ware Kindsheid, daar zij tevens Wijsheid is. Doch de onschuld der kindsheid heeft, wanneer zij niet door erkentenissen tot de onschuld der wijsheid wordt, geen nut, en daarom worden de kinderen in het andere leven met erkentenissen toegerust. Naarmate de Heer de erkentenissen in de hemelsche dingen plantte, had Hij innerlijke gewaarwording, want, als gezegd, uit de verbinding komt alle innerlijke gewaarwording voort; de eerste gewaarwording, toen Hij de wetenschappelijke dingen der knapenjaren inplantte, welke gewaarwording wordt aangeduid door het eikenbosch Moreh; de tweede gewaarwording, waarvan hier sprake is, welke innerlijker is, toen Hij de erkentenissen inplantte, welke gewaarwording wordt aangeduid door de eikenbosschen van Mamre, die in Chebron zijn.

1617. Dat dit de zesde staat is, blijkt uit hetgeen in het vorige hoofdstuk is gezegd.

1618. Dat de woorden: ,,en hij bouwde Jehovah aldaar een altaar" den godsdienst uit dien staat beteekenen, blijkt uit de beteekenis van het altaar, zijnde de uitbeelding van allen godsdienst in het algemeen, waarover eerder in nr. 921 is gehandeld. Onder den godsdienst wordt in den innerlijken zin alle verbinding door de liefde en de naastenliefde verstaan; de mensch is voortdurend in den godsdienst, wanneer hij in de liefde en de naastenliefde is; de uiterlijke godsdienst is slechts een gevolg. De Engelen zijn in zulk een godsdienst;