is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ellasar, van Kedorlaomer, den koning van Elam, en van Thideal, den koning der Gojim, beteekent bij den uiterlijken mensch des Heeren even zoovele soorten van schijnbare goedheden en waarheden, welke op zichzelf genomen geen goedheden en waarheden zijn; elke koning en elke natie beteekent een dergelijk goede en dergelijk ware; zij voerden krijg met Bera, koning van Sodom, en met Birscha, koning van Amora, Schineab, koning van Adma, en Schemeber, koning van Zeboïm, en den koning van Bela, dat is Zoar, beteekent even zoovele soorten van begeerten van het booze, en van overredingen van het valsche, waartegen de Heer streed.

1661. Dat de woorden: „En het geschiedde in de dagen van [Amrafel,] den koning van Schinear, van Arjoch, den koning van Ellasar, van Kedorlaomer, den koning van Elam, en van Thideal, den koning der Gojim" even zoovele soorten van schijnbare goedheden en waarheden bij den uiterlijken mensch des Heeren beteekenen, welke op zichzelf genomen geen goedheden en waarheden zijn, kan blijken uit de beteekenis van al deze namen in den innerlijken zin, en voorts uit hetgeen volgt; want er wordt gehandeld over den strijd des Heeren tegen boosheden en valschheden, hier over Zijn eersten strijd, welke in Zijn knapen- en eerste jongelingsjaren plaats greep, welke strijd Hij eerst begon en doorstond, toen Hij met wetenschappen en erkentenissen was toegerust; vandaar wordt hier gezegd „in de dagen dier koningen". Nooit kan iemand tegen boosheden en valschheden strijden, voordat hij weet wat boos en valsch is, derhalve niet voordat hij onderricht is. De mensch weet niet wat boos is, nog minder wat valsch is, voordat zijn verstand en zijn oordeel gevormd zijn, en dit is de reden, waarom de mensch niet in verzoekingen komt, vooraleer hij den volwassen leeftijd heeft bereikt; aldus elk mensch in zijn mannenleeftijd, de Heer echter in de knapenjaren. Elk mensch strijdt allereerst van de goedheden en waarheden uit, welke hij door de erkentenissen ontvangen heeft, en vanuit deze en door middel van deze oordeelt hij over de boosheden en valschheden. Ook meent ieder mensch, wanneer hij voor het eerst begint te worstelen, dat die goedheden en waarheden, van waaruit hij worstelt, van hemzelf zijn, dat wil zeggen,

20