is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goedheden, zooals eerder in de nrs. 1259, 1260 is aangetoond. De koningen worden met de volken in verband gebracht, en niet zoozeer met de natiën. De zonen Israëls waren, voordat zij om koningen vroegen, een natie, en beeldden het goede of het hemelsche uit; nadat zij echter een koning hadden begeerd en verkregen, werden zij een volk, en beeldden zij niet het goede of het hemelsche uit, maar het ware of het geestelijke; en dit was de reden, waarom hun vraag hun als iets verkeerds werd aangerekend (I Sam. 8 : 7 tot het einde); hierover zal, door des Heeren Goddelijke Barmhartigheid, elders gehandeld worden. Daar hier Kedorlaomer wordt genoemd, met toevoeging van de woorden: ,,de koningen, die met hem waren", wordt zoowel het goede als het ware aangeduid; door Kedorlaomer het goede, door de koningen het ware; maar van welken aard het goede en ware in het begin der verzoekingen van den Heer was, werd boven gezegd.

1673. Dat de woorden: „en zij sloegen de Refaïm in Asteroth Karnajim, en de Susim in Ham, en de Emim in Schave Kirjathaïm" de overredingen van het valsche beteekenen, of de hel van dergelijke overredingen, welke de Heer overwon, blijkt uit de beteekenis van de Refaïm, de Susim en de Emim, namelijk dat zij van een soortgelijk geslacht waren als de Nefilim, die in Gen. 6 : 4 vermeld worden; en dat dezen de overredingen van het valsche beteekenen of diegenen, die uit inbeelding van hun eigen verhevenheid en voortreffelijkheid al de heilige dingen en waarheden te niet gedaan hadden, en die valschheden in de begeerten goten, is aldaar meer dan voldoende aangetoond; men zie nr. 581, en de aldaar aangehaalde plaatsen Num. 13 : 33; Deut. 2 : 10; Jesaja 14 : 9; hfdst. 26 : 14, 19; Psalm 88 : 11. Het zijn hier de soorten van overredingen van het valsche, die worden aangeduid door deze drie namen en voorts door de Chorieten op den berg Seïr; want er zijn verschillende soorten van overredingen van het valsche, niet alleen overeenkomstig de valschheden, maar ook overeenkomstig de begeerten, waaraan zij zich toevoegen of waarin zij zich uitstorten, of waaruit zij voortvloeien en waardoor zij worden voortgebracht. Yan welken aard de overredingen van het valsche zijn, kan nooit iemand nagaan,