is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenen, dat de schijnbare goedheden en waarheden, welke op zichzelf geen goedheden en waarheden zijn, bezit namen van den uiterlijken mensch, en van alle dingen die daar waren, blijkt uit de beteekenis van Loth, en dat deze bij den Heer den zinnelijken of den uiterlijken mensch beteekent, is eerder reeds herhaaldelijk gezegd en aangetoond, en wel beteekent hij hier den uiterlijken mensch wat de schijnbare goedheden en waarheden betreft, welke hier de have van Loth zijn. Dat deze goedheden en waarheden in de eerste knapenjaren als goedheden en waarheden verschenen, en op zichzelf niet zoo waren, is eerder verklaard; maar dat zij geleidelijk gelouterd werden, en wel door de worstelingen der verzoekingen, kan blijken uit hetgeen over de verzoekingen is gezegd.

1699. Dat „en deze woonde in Sodom" zijn staat beteekent, blijkt uit de beteekenis van Sodom.

1700. Vers 13. En er kwam een ontkomene, en boodschapte het aan Abram den Hebreër, en deze woonde in de eikenbosschen van Mamre, den Emoriet, broeder van Eschkol, en broeder van Aner; en dezen waren Abrarns bondgenooten. Er kwam een ontkomene, en boodschapte het aan Abram den Hebreër, beteekent, dat de Heer innerlijke gewaarwording had door Zijn inwendigen mensch; Abram de Hebreër is de inwendige mensch, aan wien de innerlijke of Goddelijke mensch is toegevoegd; en deze woonde in de eikenbosschen van Mamre, den Emoriet, beteekent den staat der innerlijke gewaarwording uit den redelijken mensch; broeder van Eschkol en broeder van Aner, en dezen waren Abrams bondgenooten, beteekent den staat van den redelijken mensch wat het uiterlijke betreft, en wel van welken aard zijn goedheden en waarheden waren.

1701. Dat de woorden: ,,er kwam een ontkomene, en boodschapte het aan Abram den Hebreër", beteekenen, dat de Heer innerlijke gewaarwording had door Zijn inwendigen mensch, blijkt uit de beteekenis van Abram den Hebreër, zijnde de aan den innerlijken toegevoegde inwendige mensch, waarover terstond hierna gehandeld zal worden; en daar dit in den innerlijken zin op den Heer betrokken wordt, en de historische vermeldingen van uitbeeldenden aard zijn, blijkt duidelijk dat de woor-

22