is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de Hemel datgene beteekent, wat inwendig is in den mensch, komt omdat de mensch naar de inwendige dingen een beeld des Hemels is, en aldus een Hemel in het klein; de inwendige mensch des Heeren is in den meest eigenlijken zin de Hemel, daar de Heer alles in alle dingen des Hemels is, derhalve de Hemel zelf. Dat de uitwendige mensch de aarde wordt genoemd, volgt hieruit; daarom wordt dan ook onder de nieuwe Hemelen en de nieuwe aarde, waarvan bij de Profeten en in de Openbaring sprake is, niets anders verstaan dan het Rijk des Heeren, en een ieder die het Rijk des Heeren is, of in wien het Rijk des Heeren is. Dat de Hemel en de aarde dit beteekenen, zie men aangaande den Hemel in de nrs. 82, 911, en aangaande de aarde in de nrs. 82, 620, 636, 913. Dat ,,de Allerhoogste God, Bezitter der hemelen en der aarde" hier de verbinding van den innerlijken mensch met den inwendigen en uitwendigen mensch bij den Heer beteekent, kan hieruit blijken, dat de Heer naar den innerliiken mensch Jehovah Zelf was, en daar de innerlijke mensch of Jehovah den uiterlijken mensch leidde en onderwees als een Yader den Zoon, wordt de Heer naar den uiterlijken mensch met betrekking tot Jehovah ,.Zoon Gods" genoemd, met betrekking tot de moeder echter „Zoon des menschen". De innerlijke mensch des Heeren, die Jehovah Zelf is, is degene, die hier de Allerhoogste God genoemd wordt, en voordat de volledige verbinding of vereeniging had plaats gevonden, wordt Hij Bezitter der hemelen en der aarde genoemd, dat wil zeggen, Bezitter van alle dingen, welke bij den inwendigen en den uitwendigen mensch zijn, die hier, als gezegd, met de Hemelen en de aarde worden bedoeld.

1734. Vers 20. En gezegend zij de Allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe hand overgeleverd heeft. En hij gaf hem de tienden van alles. Gezegend zij de Allerhoogste God', beteekent den innerlijken mensch des Heeren; die uwe vijanden in uwe hand overgeleverd heeft, beteekent de overwinning; en hij gaf hem de tienden van alles, beteekent de overblijfselen uit de overwinning.

1735. Dat de woorden: „Gezegend zij de Allerhoogste God" den innerlijken mensch des Heeren beteekenen, blijkt uit hetgeen vlak hierboven over den innerlijken mensch is gezegd. Jehovah werd in de Oude Kerk de