is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. En het geschiedde, de zon ging onder, en er werd donkerheid, en ziet, een oven van rook, en een fakkel van vuur, die tusschen die stukken doorging.

18. Ten zelfden dage maakte Jehovah een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte af tot aan de groote rivier, de rivier Frath.

19. Den Keniet, en den Kenissiet, en den Kadmo-

niet.

20. En den Chittiet, en den Perisiet, en de Refaïm.

21. En den Emoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaschiet, en den Jebusiet.

INHOUD

1778. Dit is, in den innerlijken zin, een vervolg aangaande den Heer, nadat Hij in de knapenjaren de zwaarste worstelingen der verzoekingen had doorstaan, en wel tegen de liefde, welke Hij voor het gansehe menschelijke geslacht koesterde, in het bijzonder voor de Kerk; daar Hij nu in angst verkeerde omtrent den toekomstigen staat, werd Hem een belofte gedaan; maar tevens werd getoond, van welken aard de staat der Kerk tegen haar einde worden zou, wanneer zij zou beginnen den geest te geven; maar dat nochtans een nieuwe Kerk zal opleven, welke in de plaats van de vorige zal treden, en dat het hemelsche Rijk onmetelijk zal toenemen.

1779. De vertroosting des Heeren na de worstelingen der verzoekingen, waarover in het vorige hoofdstuk is gehandeld, vers 1.

1780. De klacht des Heeren over de Kerk, dat zij slechts een uiterlijke is, vers 2, 3. De belofte aangaande een innerlijke Kerk, vers 4. Over hare vermenigvuldiging, vers 5. Dat de Heer de Gerechtigheid is, vers 6. En dat aan Hem Alleen het Rijk in de Hemelen en op aarde toebehoort, vers 7.

1781. En omdat Hij zekerheid wilde hebben, dat het menschelijk geslacht behouden zou worden, vers 8, werd Hem getoond, hoe het met de Kerk gesteld is in het algemeen, in het bijzonder, en in elk afzonderlijk deel, vers 9 tot 17.