is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin verschijnt, verdwijnt de zin der letter alsof deze er in het geheel niet was; en zoo ook omgekeerd, wanneer men alleen op den historischen zin of op den zin van de letter let, verdwijnt de innerlijke zin, alsof deze er in het geheel niet was; het is hiermede gesteld als met het hemelsche licht ten aanzien van het licht der wereld, en omgekeerd als met het licht der wereld ten aanzien van het hemelsche licht; wanneer het hemelsche licht verschijnt, is het licht der wereld als duisternis, hetgeen mij door ondervinding is te weten gegeven; wanneer men echter in het licht der wereld is, dan zou het hemelsche licht, als het verscheen, als duisternis zijn. Evenzoo is het gesteld in het menschelijk gemoed; wie alles in de menschelijke wijsheid of in de wetenschappen zet, hem verschijnt de hemelsche wijsheid als een duister niets, maar wie in de hemelsche wijsheid is, hem is de menschelijke wijsheid als iets donker algemeens, dat, wanneer er geen hemelsche stralen in waren, als donkerheid zou zijn.

1784. Vers 1. Na deze woorden geschiedde het woord van Jehovah tot Abram, in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram; Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Na deze woorden geschiedde het woord van Jehovah tot Abram, in een gezicht, beteekent, dat er na de worstelingen in de knapenjaren een openbaring plaats vond; het gezicht is de binnenste openbaring welke tot de innerlijke gewaarwording . behoort; vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, beteekent de bescherming tegen de boosheden en valschheden, waarop vertrouwd wordt; uw loon zeer groot, beteekent het einde der overwinningen.

1785. Dat „Na deze woorden geschiedde het woord van Jehovah tot Abram in een gezicht" beteekent, dat er na de worstelingen in de knapenjaren eene openbaring plaats vond, blijkt uit de beteekenis der woorden, voorts uit de beteekenis van het woord van Jehovah tot Abram, alsmede uit de beteekenis van het gezicht. Door woorden worden in de Hebreeuwsche taal dingen aangeduid, hier doorgemaakte dingen, welke de worstelingen der verzoekingen des Heeren zijn, waarover in het voorafgaande hoofdstuk is gehandeld; het woord van Jehovah tot Abram is niets anders dan het woord des Heeren tot Zichzelf; maar in de knapenjaren en in de worstelingen

25