is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alwaar de overblijfselen van den godsdienst der Oude Kerk waren, en waaruit Heber of de Hebreeuwsche natie voortkwam, bij welke natie zich alleen bet uiterlijke der Kerk bevond, zooals eerder in de nrs. 1238 en 1241 is gezegd; aldus was daar alleen de verzorging van het huis. Dat hierin iets van vertwijfeling, bijgevolg van een verzoeking des Heeren gelegen is, blijkt uit deze woorden, voorts uit de vertroosting die volgt met betrekking tot de innerlijke Kerk.

1797. Yers 3. En Abram zeider Zie, mij hebt uy geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn. Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, beteekent, dat het innerlijke der Kerk er niet was, dat wil zeggen, geen liefde en geen geloof; zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn, beteekent, dat alleen het uiterlijke in het Rijk des Heeren was.

1798. Dat de woorden: „Abram zeide: Zie, mij hebt Grij geen zaad gegeven", beteekenen, dat het innerlijke der Kerk er niet was, blijkt uit de beteekenis van het zaad, zijnde de liefde en het geloof, waarover eerder in de nrs. 255, 256, 1025 is gehandeld, en in hetgeen volgt uit de beteekenis van den erfgenaam. Dat de liefde en het geloof uit haar het innerlijke der Kerk is, is eerder herhaaldelijk gezegd en aangetoond; er wordt geen ander geloof, dat het innerlijke der Kerk is, bedoeld dan het geloof der liefde of der naastenliefde, dat wil zeggen, hetwelk uit de liefde of de naastenliefde voortkomt. Het geloof in den algemeenen zin is al hetgeen tot de leer der Kerk behoort; maar de van de liefde of de naastenliefde gescheiden leer maakt nooit het innerlijke der Kerk uit, want de leer is slechts een wetenschap, welke tot het geheugen behoort, en ook bij de ergsten, zelfs bij de helschen te vinden is. Maar de leer, die uit de naastenliefde voortkomt, of tot de naastenliefde behoort, deze is het die het innerlijke uitmaakt, want deze behoort tot Let leven. Het leven zelf is het innerlijke van allen godsdienst, en bijgevolg alle leer, welke uit het leven der naastenliefde vloeit; deze leer is het, die tot het geloof behoort, dat hier bedoeld wordt. Dat het dit geloof is, hetwelk het innerlijke van de Kerk is, kan alleen al hieruit blijken, dat wie het leven der naastenliefde heeft, alles kent wat tot het geloof behoort. Men onderzoeke slechts, zoo men