is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neem eene driejarige vaars en eene driejarige geit, en eenen driejarigen ram, beteekent de dingen die uitbeeldingen zijn van de hemelsche dingen der Kerk; de vaars, die der uitwendig hemelsche dingen; de geit, die der inwendig hemelsche dingen; de ram, die der geestelijk hemelsche dingen; dat zij driejarig moesten zijn, komt omdat zij alle dingen der Kerk, wat de tijden en de staten betreft, zouden insluiten; en eene tortelduif en eene jonge duif, beteekenen die dingen, welke uitbeeldingen zijn van de geestelijke dingen der Kerk; de tortelduif de uitwendige, de jonge duif de inwendige.

1822. Dat „Hij zeide tot hem" de innerlijke gewaarwording beteekent, blijkt uit hetgeen boven bij vers 2 en 7 is gezegd; de innerlijke gewaarwording is niets anders dan een zeker innerlijk spreken, hetwelk zich op deze wijze uit, dat men gewaar wordt wat gezegd wordt; alle inwendige inspraak, ook het geweten, is niets anders, maar de innerlijke gewaarwording is een hoogere of meer inwendige graad.

1823. Dat de woorden: „neem eene driejarige vaars en eene driejarige geit, en eenen driejarigen ram" de dingen beteekenen, die uitbeeldingen zijn van de hemelsche dingen der Kerk, blijkt uit de beteekenis van deze dieren bij de offeringen. Niemand, die gezond denkt, kan gelooven, dat de verschillende dieren die geofferd werden, niets anders te beteekenen hadden dan alleen offeringen, of dat de os en de jonge stier of de vaars dezelfde beteekenis hadden als het schaap, de bok, de geit, en deze dezelfde als het lam, en een soortgelijke als de tortelduif en de jongen der duiven, terwijl toch elk dier zijn bijzondere beteekenis had. Dat kan genoegzaam hieruit blijken, dat nooit het eene in de plaats van het andere werd opgedragen, en dat uitdrukkelijk werden opgegeven welke bij de brandofferen en bij de dagelijksche offeringen, bij de sabbath- en feestofferingen zouden geofferd worden, welke bij de vrijwillige, de gelofte- en de dankoffers, welke bij de verzoenende schuld- en zondeoffers, welke bij de reinigingsoffers; dit zou nooit gebeurd zijn, wanneer niet door elk dier iets bijzonders was uitgebeeld en aangeduid; maar het zou te ver voeren om hier uiteen te zetten, wat elk dier in het bijzonder beteekent; genoeg, dat men hier wete, dat het hemelsche dingen zijn, welke