is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

lijke, alwaar voor het eerst het ware als den mensch toebehoorend verschijnt, en door het redelijke in het wetenschappelijke. Hieruit blijkt, dat de mensch geenszins als uit zichzelf uit het verstandelijk ware kan denken, maar uit het redelijk en het wetenschappelijk ware, daar deze beide als het zijne verschijnen. De Heer Alleen dacht, toen Hij in de wereld leefde, uit het verstandelijk ware, omdat dit Zijn met het goede verbonden Goddelijke, of het met het Goddelijk 'hemelsche verbondten Goddelijk geestelijke was; hierin was de Heer van ieder ander mensch onderscheiden; uit het Goddelijke te denken als uit Zichzelf, is geenszins den mensch gegeven, en in den mensch ook niet mogelijk, maar alleen in Hem, die van Jehovah ontvangen was. Daar Hij uit het verstandelijk ware, dat is, uit de liefde of de neiging tot het verstandelijk ware dacht, verlangde Hij daaruit ook naar het redelijke; dit is de reden, waarom hier gezegd wordt, dat Sarai, Abrams vrouw, met wie de neiging tot het verstandelijk ware wordt bedoeld, Hagar de Egyptische nam en haar gaf aan Abram, haren man, hem tot eene vrouw. De overige verborgenheden, die hier gelegen zijn, kunnen niet bevattelijk worden ontwikkeld en verklaard, daar de mensch in de diepste donkerheid verkeert, en zelfs hoegenaamd geen voorstelling heeft van zijn eigen innerlijke dingen; want hij stelt zoowel het redelijke als het verstandelijke in het wetenschappelijke, en hij weet niet dat zij onderscheiden zijn, en wel zoodanig onderscheiden, dat het verstandelijke kan bestaan zonder het redelijke, zooals vandaar ook het redelijke zonder het wetenschappelijke; dit kan niet anders dan tegenstrijdig lijken voor hen, die in wetenschappelijke dingen bevangen zijn, maar toch is het Waarheid; nochtans is het onmogelijk, dat iemand in het wetenschappelijk ware is, namelijk in de neiging daartoe en het geloof daaraan, wanneer hij niet in het redelijk ware is, waarin en waardoor de Heer van het verstandelijke uit invloeit. Deze verborgenheden openbaren zich eerst in het andere leven aan den mensch.

1905. Dat „Hagar, hare Egyptische dienstmaagd" liet leven van den uitWendigen mensch beteekent en de neiging tot de wetenschappen, blijkt uit de beteekenis van Hagar, waarover eerder in de nrs. 1895, 1896; en