is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem: Jehovah is met u, machtig van sterkte; en Gideon „zeide tot hem: In mij, mijn Heer, waarom is ons dit alles „wedervaren; en Jehovah zag hem aan en zeide: Ga heen „in uwe kracht; toen zeide Jehovah tot hem: Voorzeker „zal Ik met u zijn" (6 : 12, 13, 14, 16), en later: „En „Gideon zag, dat het de Engel des Heeren was, en Gideon „zeide: Ach, Heer Jehovih, daarom, omdat ik den Engel „des Heeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht; en „Jehovah zeide: Vrede zij u, vrees niet" (aldaar vers 22, 23), alwaar het eveneens een Engel was, maar dan in een staat, waarin hij niet anders wist, dan dat hij Jehovah of de Heer was. Elders in het boek der Richteren: „De Engel van Jehovah kwam opwaarts van Gilgal tot „Bochim, en zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, „en u gebracht in het land, dat Ik uwen vaderen gezwo„ren heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden „niet verbreken in eeuwigheid" (2 : 1), alwaar eveneens de Engel in den naam van Jehovah spreekt, door te zeggen dat hij hen uit het land van Egypte heeft geleid, terwijl toch niet de Engel hen had uitgeleid, maar Jehovah, zooals herhaaldelijk elders gezegd wordt. Hieruit kan blijken, hoe de Engelen door de Profeten gesproken hebben, namelijk dat het de Heer Zelf was, die sprak, hoewel het geschiedde door de Engelen, en dat de Engelen niet het minste uit zichzelven zeiden; dat het Woord van den Heer geschiedde, blijkt uit vele plaatsen, ook bij Mattheus: „Opdat vervuld zou worden, hetgeen van „den Heer gesproken is door den Profeet, zeggende: Ziet, „de maagd zal zwanger worden, en eenen zoon baren" (1 : 22, 23), zooals ook elders. Daar de Heer door de Engelen spreekt, wanneer Hij met den mensch spreekt, is dit de reden, dat de Heer ook herhaaldelijk in het Woord Engel genoemd wordt, en dan wordt, als gezegd, door den Engel iets wezenlijks bij den Heer of van den Heer uitgaande aangeduid, zooals hier, namelijk de inwendige gedachte des Heeren; daarom ook wordt hier in dit hoofdstuk de Engel tevens Jehovah en God genoemd, zooals in vers 13: „En Hagar noemde den naam „van Jehovah, die tot haar sprak: Gij God, die mij ziet". Elders wordt desgelijks door de Engelen iets van den Heer in het bijzonder aangeduid, zooals bij Johannes: „De zeven sterren zijn de Engelen der zeven Kerken"