is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Openb. 1 : 20); Engelen der Kerken bestaan er niet, maar door de Engelen wordt datgene aangeduid, wat der Kerk is, bijgevolg wat des Heeren is met betrekking tot de Kerken. Bij denzelfde: „Ik zag den grooten en hoogen muur van het Heilige Jeruzalem, hebbende twaalf poorten, en op de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven, welke de namen zijn der twaalf stammen der zonen Israëls" (Openb. 21 : 12), alwaar door de twaalf Engelen hetzelfde wordt aangeduid, wat door de twaalf stammen wordt aangeduid, namelijk alles wat des geloofs is, dus des Heeren, van Wien het geloof en al wat des geloofs is uitgaat. Bij denzelfde: „Ik zag een Engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwig evangelie" (Openb. 14 : 6), alwaar door den Engel het evangelie wordt aangeduid, dat alleen des Heeren is. Bij Jesaja: „De Engel Zijner aangezichten heeft ons behouden; om Zijner liefde en om Zijner genade wil heeft Hij hen verlost, en hen opgenomen, en gedragen, al de dagen der eeuwigheid" (63 : 9), alwaar onder den Engel der aangezichten de Barmhartigheid des Heeren jegens het gansche menschelijke geslacht wordt aangeduid, namelijk dat Hij hen verlost heeft. Zoo zegt Jakob, wanneer hij de zonen van Jozef zegent, eveneens: „De Engel, die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene de knapen" (Gen. 48 : 16), alwaar ook de verlossing, die een werk des Heeren is, door den Engel wordt aangeduid. Bij Maleachi: „Snellijk zal tot Zijnen tempel komen de Heer, dien gijlieden zoekt, en de Engel des verbonds, dien gij begeert" (3 : 1); dat de Heer door den Engel wordt aangeduid, komt hier duidelijk uit, alwaar Hij de Engel des verbonds wordt genoemd vanwege Zijn Komst. Nog duidelijker komt het in Exodus uit, dat door den Engel de Heer wordt aangeduid: „Ziet, Ik zende eenen Engel voor u uit, om u te behoeden op den weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb; hij zal ulieder overtreding niet dulden, want Mijn Naam is in het midden van hem." (23 : 20, 21). Hieruit blijkt nu, dat onder den Engel in het Woord de Heer verstaan wordt, maar wat er van den Heer mede bedoeld wordt, komt in het verband in den innerlijken zin duidelijk uit.

1926. Dat de Engel van Jehovah hier de inwen-