is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Sarai, beteekent de kennisneming; van waar komt gij, en waarheen gaat gij, beteekent aangaande den staat, en zij zei-de: van het aangezicht van Sarai, mijne meesteres, ben ik vluchtende, beteekent het antwoord en de

verontwaardiging. .

1931. Dat de woorden: „Hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai", de kennisneming beteekenen, blijkt uit het verband, want Hagar wordt door den Engel aangesproken, alsof hij ingelicht wilde worden. Het is in het Woord gebruikelijk, dat Jehovah den mensch ondervraagt, en dat de menschen antwoorden hoewel Jehovah het van te voren alreeds weet, en wel niet alleen het feit, maar ook de oorzaken en de einddoelen, derhalve alles tot in het kleinste en binnenste; maar daar de mensch dit niet weet, en gelooft, dat nooit iemand weet, wat hij in het verborgene, zonder dat een ander het ziet, doet, en nog minder wat hij denkt, daarom gebeurt het zoo overeenkomstig het geloof van den mensch. Maar toch is het in waarheid daarmede zoo gesteld, dat de gewone geesten de gedachten van den mensch beter gewaarworden dan de mensch zeli, de engelengeesten de nog innerlijker dingen van de gedachten, en de Engelen de nog meer innerlijke dingen, namelijk de oorzaken en einddoelen, waarvan de mensc weinig weet. Dit werd mij door veelvuldige ondervinding, verscheidene jaren achtereen, te weten gegeven, _ wanneer de geesten en Engelen dit gewaarworden, hoeveel te meer dan de Heer of Jehovah, die oneindig is, en allen het vermogen tot gewaarworden geeft.

1932. Dat de woorden: „van waar komt gij, en waarheen gaat gij" de kennisneming aangaande den staat beteekenen, volgt hieruit.

1933. Dat de woorden: „En zij zeide: van het aangezicht van Sarai, mijne meesteres, ben ik vluchtende" het antwoord en de verontwaardiging beteekenen, blijkt uit hetgeen gezegd is. Aangaande de verontwaardiging zie men boven bij het 4. vers,_ alwaar dezelfde woorden staan; daar het aangezicht de inwendige dingen beteekent, zooals eerder in nr. 358 is aangetoond, beteekent het dus ook de verontwaardiging en tal van andere

& 1934. Vers 9. En de Engel van Jehovah zeide tot