is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar: Keer weder tot uwe meesteres, en verneder u onder hare handen. De Engel van .Tehovah zeide, beteekent het antwoord van den inwendigen mensch des Heeren; keer weder tot uwe meesteres, beteekent dat Hij had waargenomen, dat Hij niet op zichzelf mocht betrouwen, maar op het inwendig ware en de neiging daartoe; en verneder u onder hare handen, beteekent, dat Hij zich moest dwingen om zich onder de macht van dit ware te stellen.

1935. Dat de woorden: „De Engel van Jehovah zeide" het antwoord van den inwendigen mensch des Heeren beteekenen, blijkt uit de beteekenis van den Engel van Jehovah, zijnde het inwendige denken des Heeren, waarover boven in nr. 1925 is gehandeld; en daar het het denken is, is het ook het antwoord. Het inwendige denken des Heeren kwam uit de neiging tot het verstandelijk ware voort, en deze neiging uit het Goddelijk Goede Zelf. Een dergelijk denken is, als eerder gezegd, nooit en kan nooit zijn bij eenig mensch. Bij den mensch is ook een inwendig denken, dat door zijn innerlijken mensch in het inwendig redelijke van den Heer uit invloeit bij hen, die een geweten hebben, hetgeen hieruit kan blijken, dat zij het booze en valsche, dat in hun uiterlijken mensch is en tegen het goede en ware in den inwendigen mensch strijdt, kunnen waarnemen; maar dit denken is veel lager, en op geen enkele wijze te vergelijken met het denken des Heeren, dat uit de neiging tot het verstandelijk ware voortkwam en Hem in eigendom toebehoorde. Zij die echter geen geweten hebben, kunnen geen inwendig denken hebben; daarom is er bij hen ook geen enkele strijd, en dit komt omdat hun redelijke geheel en al samendoet met het zinnelijk lichamelijke; en hoewel ook bij hen voortdurend van den Heer het goede en ware invloeit, worden zij het nochtans niet gewaar, daar zij het terstond uitdooven en verstikken; vandaar, dat zij ook geen enkele waarheid van het geloof gelooven.

1936. Dat de woorden: „Keer weder tot uwe meesteres" beteekenen, dat Hij had waargenomen, dat Hij niet op zichzelf mocht betrouwen, maar op het inwendig ware en de neiging daartoe, blijkt uit de beteekenis van de meesteres, namelijk dat zij de neiging