is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit zichzelf zag; aldus is het met den invloed gesteld.

1955. Dat de woorden: „want zij zeide: Heb ik ook hier dien nagezien, die mij ziet" den invloed en het leven van den uitwendigen mensch beteekenen zonder de bemiddeling van het redelijke, blijkt uit de beteekenis van het zien den ziende na; den ziende nazien is uit het inwendige of hoogere; wat binnen of boven is in den innerlijken zin, wordt in den zin van de letter door na uitgedrukt, wanneer dit verschijnt in hetgeen buiten of beneden is. Het is Hagar, die hier spreekt, door wie, zooals eerder is aangetoond, het leven der wetenschappen wordt aangeduid, dat tot den uitwendigen mensch behoort. Daar uit dit leven het eerste redelijke is ontstaan, zag de Heer de oorzaak, waarom het aldus geschiedde, uit Zijn inwendigen mensch in den uitwendigen mensch, en zulks zonder de bemiddeling van het redelijke. Dat dit verborgenheden bevat, kan een ieder zien, reeds hieruit alleen, dat niemand kan weten wat het is zien na hem die mij ziet tenzij uit den innerlijken zin, waarin ook zulke verborgenheden zijn, dat zij niet bevattelijk kunnen worden uitgelegd dan alleen door voorstellingen, zooals de Engelen hebben, en die niet in woorden vallen, maar alleen in den zin der woorden, en wel onttrokken aan de stoffelijke voorstellingen, waaruit de voorstellingen van den zin der woorden bestaan. Aangaande deze dingen, die den mensch zoo duister toeschijnen, hebben de Engelen zoo heldere en scherp onderscheiden, met zooveel uitbeeldingen verrijkte voorstellingen, dat een boek geschreven zou moeten worden, om er ook maar een klein weinig van te beschrijven.

1956. Dat de woorden: „Daarom noemde zij de fontein" den staat van het ware daarvan beteekenen, blijkt uit hetgeen gezegd is, en uit de beteekenis van de fontein, zijnde het ware, waarover boven in nr. 1927. Daar dit ware niet in het redelijke maar beneden het redelijke werd gezien, wordt de fontein in de oorspronkelijke taal uitgedrukt met een ander woord dan het boven gebezigde en gemeenlijk voor fontein gebruikelijke.

1957. Dat de woorden: „De fontein voor den Levende, die mij ziet" het aldus zichtbare ware beteekenen, blijkt eveneens uit hetgeen gezegd is, namelijk dat