is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij oudtijds ook uitgebeeld door het met het priesterschap verbonden koningschap, zooals bij Malchizedek, die koning van Schalem en tevens priester Gode den Allerhoogste was (Gen. 14 : 18), en later bij de Joden, waar de uitbeeldende Kerk in haar vorm was ingesteld door rechters en priesters, daarna door koningen; maar aangezien de koningen de waarheden uitbeeldden, die niet de opperheerschappij mochten voeren, omdat zij, als gezegd, verdoemen, daarom mishaagde dit zoozeer, dat zij berispt werden en de hoedanigheid van het op zichzelf beschouwde ware door het recht des konings werd beschreven, 1 Sam. 8 : 11 tot 18; en eerder werd door Mozes, Deut. 17 : 14 tot 18, bevolen, dat zij het echte ware zouden kiezen, dat uit het goede komt, niet het verbasterde, en dat zij het niet bezoedelen zouden door redeneeringen en wetenschappelijke dingen; dit is het, wat het voorschrift aangaande den koning bij Mozes in de aangehaalde plaats insluit, hetgeen nooit iemand uit den zin van de letter zien kan, maar toch komt het duidelijk uit in elke bijzonderheid in den innerlijken zin, en hierin, dat door den koning en het koningschap niets anders werd uitgebeeld en aangeduid dan het ware.

2016. Wat de zaak betreft, dat van den Heer al het goede komt en al het ware daaruit, dit is een vaststaande waarheid; de Engelen zijn in de innerlijke gewaarwording daarvan, zoozeer, dat zij waarnemen, hoeveel van den Heer komt en dat het goed en waar is, en hoeveel van henzelf, en dat het boos en valsch is; zij bekennen dit ook voor de nieuw aangekomen zielen en voor de geesten die twijfelen; ja, meer nog, bekennen zij, dat zij door den Heer worden afgehouden van het booze en valsche, hetwelk uit hun eigen ik voortkomt, en dat zij in het goede en ware gehouden worden; de afhouding zelve en de invloed zelf is ook voelbaar voor hen, men zie nr. 1614. Dat de mensch echter meent, het goede uit zichzelf te doen en het ware uit zichzelf te denken, is schijn, daar hij in den staat van geen innerlijke gewaarwording is, en in de diepste duisternis verkeert wat den invloed betreft; vandaar maakt hij gevolgtrekkingen uit den schijn, ja zelfs uit de begoocheling, waarvan hij zich niet laat afbrengen, zoolang hij alleen aan de zinnen gelooft, en zoolang hij daarnaar redeneert of het zoo is.