is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het met het goede verbonden ware dit doen zal.

2071. Dat de woorden: „Abraham viel op zijne aangezichten" de aanbidding beteekenen, blijkt uit de beteekenis van het vallen op de aangezichten, zijnde aanbidden, waarover hierboven nr. 1999'.

2072. Dat de woorden: „en hij lachte" de neiging tot het ware beteekenen, kan uit den oorsprong en het wezen van het lachen blijken; zijn oorsprong is geen andere dan de neiging tot het ware of de neiging tot het valsche; vandaar de vroolijkheid en de blijdschap, die zich in heit aangezicht uit door den lach; hieruit is duidelijk, dat het wezen van den lach niets anders is. Het lachen is weliswaar iets uiterlijks, dat tot het lichaam, want tot heit aangezicht behoort, maar in het Woord worden inwendige dingen door uitwendige dingen uitgedrukt en aangeduid, zooals alle inwendige neigingen van gemoed en geest door het gelaat, het inwendig gehoor en de gehoorzaamheid door het oor, het innerlijk gezicht of het verstand door het oog, de macht en de sterkte door hand en arm, enzoovoort, aldus de neiging tot het ware door den lach. In het redelijke van den mensch is het ware, dat de hoofdzaak is; in het redelijke is ook de neiging tot het goede, maar deze is in de neiging zelve tot het ware, als deszelfs ziel; de neiging tot het goede, die in het redelijke is, uit zich niet door lachen, maar door een zekere vreugde, en vandaar door de bekoring van den lust, die niet lacht; want in het lachen is gemeenlijk ook iets, dat niet zoo goed is. Dat in het redelijke van den mensch het ware de hoofdzaak is, komt omdat het redelijke gevormd wordt door de erkentenissen van het ware, want wanneer het niet door deze geschiedt, kan nooit iemand redelijk worden; de erkentenissen van het goede zijn evenzeer waarheden als de erkentenissen van het ware. Dat het lachen hier de neiging tot het ware beteek ent, kan hieruit blijken, dat hier vermeld wordt, dat Abraham heeft gelachen, en desgelijks Sarah, zoowel voor als na de geboorte van Izak, voorts dat Izak van het laehen zijn naam ontving, want Izak beteekent het lachen. Dat Abraham, toen hij van Izak hoorde, heeft gelachen, blijkt uit dit vers, want er wordt gezegd, dat Abraham, toen hij hoorde van een zoon uit Sarah, gelachen heeft; dat ook Sarah gelachen heeft, eer Izak