is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken" het einde van deze innerlijke gewaarwording beteekenen, blijkt uit de beteekenis van spreken en zeggen, zijnde in den innerlijken zin gewaarworden, waarover herhaaldelijk eerder; vandaar is „eindigen te spreken" niet meer in zulk een gewaarwording zijn.

2098. Dat de woorden: „en God voer op van Abraham" het ingaan des Heeren in den vorigen staat beteekenen, blijkt hieruit, en dus zonder verklaring. Dat de Heer zich in twee staten bevond, toen Hij in de wereld leefde, dien der vernedering en dien der verheerlijking, is eerder aangetoond, nrs. 1603, 2033; daar er twee staten waren, is het duidelijk, dat er ook twee staten van gewaarwording waren; in den staat der verheerlijking, dat is, van de vereeniging van het Menschelijke met het Goddelijke, bevond Hij zich, toen Hij de dingen gewaarwerd, welke in dit hoofdstuk tot hiertoe in den innerlijken zin besloten liggen; en dat Hij zich niet meer in een dergelijke gewaarwording bevond, wordt uitgedrukt door deze woorden: „Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham".

2099. Vers 23. En Abraham, nam Jischmaël, zijnen zoon, en al de ingeborenen van zijn huis, en eiken met zijn zilver gekochte, al het mannelijke onder de mannen van het huis van Abraham, en hij besneed het vleesch hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had. Abraham nam Jischmaël, zijnen zoon, beteekent hen, die waarlijk redelijk zijn; en al de ingeborenen van zijn huis, en eiken met zijn zilver gekochte, en al het mannelijke onder de mannen van het huis van Abraham, beteekent, hier als eerder, hen die binnen de Kerk zijn, en bij wie de waarheden des geloof s met de goedheden verbonden worden; en hij besneed het vleesch hunner voorhuid, beteekent hun reiniging en gerechtigheid van den Heer; even ten zelfden dage beteekent dien staat waarvan sprake was; gelijk als God met hem gesproken had, beteekent overeenkomstig de innerlijke gewaarwording.

2100. Dat de woorden: „Abraham nam Jischmaël, zijnen zoon" hen beteekenen, die waarlijk redelijk zijn, blijkt uit 'de beteekenis van Jischmaël, zijnde diegenen, die uit het ware redelijk, dat is, geestelijk zijn, waarover boven nrs. 2078, 2087, 2088.