is toegevoegd aan uw favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. HET VERDWIJNEN VAN DEN WILDE.*)

Onze tijdgenooten van dit en het opkomend geslacht schijnen nauwelijks te bevroeden, dat wij getuigen zijn van de laatste acte van een langdurig drama, een treur- en blijspel tegelijk, dat stil, zonder trompetgeschal of tromgeroffel vlak voor onze oogen op het tooneel der wereldgeschiedenis wordt opgevoerd. Wat ook van den wilde zelf mag worden, het gordijn zal spoedig voor altijd neerzinken over den wilden staat. In de laatste jaren heeft zich de tred der beschaving zoo verhaast en is haar verbreiding zoo ongekend snel geworden, dat veel wilde rassen, die nog maar een honderd jaar geleden hun oude leven ongeweten en ongemoeid voortzetten in de diepte van maagdelijke wouden of op verre eilanden der zee, nu ruw uit hun bestaan worden weggestooten of in een droef spotbeeld van hun overwinnaars veranderd. Met hun verdwijning of verandering zal een element van grilligheid, van schilderachtigheid, van bontheid uit de wereld verdwenen zijn. De maatschappij zal waarschijnlijk over het geheel gelukkiger zijn, maar nuchterder van toon, grauwer, eentoniger van kleur. En wanneer het leven der wilden verder en verder in het verleden terugzinkt, zal het meer en meer tot een voorwerp van nieuwsgierigheid en verwondering zijn geworden voor de geslachten, die er dan van gescheiden zijn door den onoverkomelijken en altijd wijder wordenden afgrond van den tijd. De donkere kant zal worden vergeten, de lichtere zijde herinnerd. De wreedheden, ontberingen en ellenden zullen uit het oog worden verloren en de herinnering zal met genoegen blijven wijlen bij al wat goed en schoon was, of wat schijnen zal goed en schoon te zijn geweest in het lang vervlogen leven der wildernis. De magiër tijd zal zijn onafwendbare betoovering over die verwijderde eeuwen werpen. Een sfeer van romantiek zal er zich om heen verzamelen, zooals de blauwe nevel, die de hardere lijnen van een veraf landschap verzacht tot een teedere schoonheid. Zoo is de aartsvaderlijke tijd voor ons met een blijvende bekoorlijkheid omhuld in de verrukkelijke

x) Totemism and Exogamy, deel I, Voorbericht, blz. XIV—XV.

Mensch, God en Onsterfelijkheid.. 2