is toegevoegd aan uw favorieten.

Mensch, God en onsterfelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze leege omtrekken zal kunnen invullen met fijnere toetsen en dieper schaduwen, moeten wij ter beslissing aan de toekomst overlaten. De stof voor zulk een schilderij is in overvloed aanwezig en als de kleuren donker mochten zijn, ze worden toch, zooals ik in deze verhandeling poogde aan te toonen, verhelderd door een straal van troost en hoop.

19. HANDELING ALS TOETSSTEEN VOOR GELOOF.1)

Het denken van den wilde is geneigd tot vaagheid en inconsequentie; hij kan zich zijn gedachten niet helder voor den geest brengen noch kan hij ze duidelijk aan anderen mededeelen, zelfs niet als hij dat wenscht. En zijn gedachte is niet enkel vaag en onlogisch, zij is vervloeiend en onvast, geneigd om te wisselen en te veranderen onder vreemden invloed. Door deze en andere oorzaken, zooals wantrouwen jegens vreemdelingen en moeilijkheden met de taal, die dikwijls een geweldigen slagboom opwerpt tusschen den wilde en zijn beschaafden onderzoeker, is het gebied der primitieve geloofsvoorstellingen met zooveel strikken en vallen bezet, dat wij bijna zouden kunnen wanhopen ooit tot de waarheid te geraken, ware het niet, dat wij een draad vasthouden, die ons op dien donkeren en glibberigen weg kan leiden. Die draad is handeling. Terwijl het in het algemeen heel moeilijk is om vast te stellen, wat iemand denkt, is het betrekkelijk gemakkelijk vast te stellen wat hij doet; en wat iemand doet, niet wat hij zegt, is de zekerste toetssteen voor zijn werkelijk geloof. Vandaar dat, bij onze poging om den godsdienst van achteriijke rassen te bestudeeren, het ceremonieel, dat zij volgen, in het algemeen een vertrouwbaarder aanwijzing is voor hun werkelijk geloof, dan de luidklinkendste geloofsbelijdenis.

20. DE REDELIJKHEID VAN DEN WILDE.2)

Wij mogen het, denk ik, als een uitgemaakte waarheid vooropstellen, dat in het algemeen de wilden, voor zoover wij ze kennen,

1) The Belief in Immortality, deel I, blz. 143.

2) The Belief in Immortality, deel I, blz. 265—266.