is toegevoegd aan uw favorieten.

Symbolen en mythen in religie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar de gedachte niet meer bestaat, daar heeft het symbool dier gedachte geen reden van bestaan meer; — zonder gedachte is er geen uitdrukking in de stof mogelijk. Deze diersoorten hebben dan den eindpaal harer ontwikkeling bereikt en vereenigen zich weder met hun Archityp.

Aldus beschouwd, is het de mensch die de Aarde bevolkt met steeds hoogere dier- en plantenvormen, naarmate hij — hooger klimmend — zich ontdoet van ongewensohte eigenschappen, zoodat hij het is, die door zijne gedachten en gevoelens in zekere mate leidend werkt in de vorming der lagere natuurrijken.

Hoewel de menschheid, als geheel genomen, geleidelijk vooruitgaat in moreele ontwikkeling, zien we toch ook — evenals we dit in het dierenrijk kennen — atavismus optreden; het is een terugkeer van vroeger doorgemaakte toestanden in individuen, en soms in zekere families. Op deze wijze kunnen we aangeboren idialisme, aangeboren blindheid, stomheid, kleurenblindheid, ontbreken van den reukzin etc. verklaren. Bij voorkeur schijnt deze terugslag zich te toonen in zeer oude familiën of geslachten, 't Zijn groepzielen, die oud worden en tengevolge daarvan minder weerstandibiedend, zoodat laag ontwikkelde Egos in deze lichamen incarneeren op tijdstippen die cosmisch daarvoor aangewezen zijn. Het getal zeven, of een veelvoud daarvan, is ook hier de basis van den rhytmus, doch daarover valt hier niets verder te zeggen.

Wanneer we alles van een zuiver intellectueel-naturalistisch standpunt gaan beschouwen en zooveel als doenlijk is alle speculatie vermijden, dan naderen wij het standpunt van hem die „tasten en voelen" wil alvorens iets voor „waar" te erkennen. Als basis moeten wij uitgaan van iets waarvan we weten dat het waar is, — doch we weten niets met zekerheid. Het zekerste is dus, van eene naituurwet uit te gaan waarop wij tot nu geene uitzonderingen gezien hebben.

Daar is eene universeele wet, die parallel gaat met de bekende bijbelspreuk: „de mensch is naar God's evenbeeld geschapen". Ze luidt: De mensch is analoog met den Cosnios, 't geen zeggen wil, dat er voor elk element in den Cosmos een analoog element in den mensch bestaat. Deze wet is, zooals we reeds vroeger

gezien hebben, van toepassing op eiken microcosmos.

We hebben reeds eene parallel getrokken tussohen de

Aarde en den Mensch; doch daar ik vrees, dat ze in de

oogen van Mercurius „onwetenschappelijk" is, wil ik hier, —