is toegevoegd aan uw favorieten.

Het standpunt der orde van Vrijmetselaren ten aanzien van het aannemen van candidaten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.,dat de Orde nimmer haar kracht zal kunnen vin„den in het aantal, maar wel in de hoedanigheid van „van hare leden."

De stelling is niet nieuw; al jaren geleden sprak men ten aanzien van het toelaten van nieuwe leden over de open-deur-politiek of de Gideonsbende, en vrij algemeen is op den duur de voorkeur aan het laatste geschonken, al waren er wel eens Loges, die, met het oog op de Metalen, meer voelden voor eene flinke kwantiteit, dan met het belang, dat met de goede kwaliteit staat of valt, was overeen te brengen. Trouwens, wat heeft men aan veel Metalen, als de geestelijke kracht ontbreekt om ze oordeelkundig te besteden? Men moet onze Orde niet verwarren met organisaties als b.v. politieke bonden, waar het resultaat van het werk uitsluitend beheerscht wordt door de numerieke sterkte. Een waarschuwend woord ten dezen behoudt altijd nog zijn waarde, omdat immer het gevaar blijft bestaan, dat men onder de misleidende bekoring zou komen van eene groote magonnieke organisatie en dat men zich zou vleien met den ij delen waan, daardoor aan kracht, aanzien en invloed te zullen winnen. De Vrijmetselarij wordt beter gediend door een klein aantal werkelijk goede Vrijmetselaren, dan door een groot leger van fatsoenlijke middelmatigheden.

Er blijft nu nog stelling IV te bespreken. Veel valt hierover niet te zeggen en zij kan dan ook grootendeels als een niet overbodige wenk of waarschuwing worden beschouwd. Want het komt nog wel eens voor, dat een Commissie van Onderzoek verklaart, dat een candidaat niet aan de gestelde eischen voldoet, maar dat zij niettemin tot zijne toelating adviseert. Het heet dan, dat de candidaat b.v. zijn onvoldoende intellectueele ontwikkeling zal kunnen aanvullen met hetgeen hij in de Loge hoort en leert; of dat hij bepaalde minder gewenschte karaktereigenschappen heeft, die hij juist weer in de Loge kan afleeren. in het bijzonder dient ten opzichte van de onvoldoende ontwikkeling een bepaald afwijzend standpunt te worden ingenomen.

Afgescheiden van de vraag of het aanhooren van voordrachten en discussies over onderwerpen, die feitelijk boven zijn ontwikkeling gaan, hem op den duur wel op het gewenschte peil van ontwikkeling zullen brengen, kan zulk een candidaat niet worden toegelaten, omdat van hem geen medewerking en steun ter bevordering van het doel der Orde kan worden verwacht, zooals artikel 18 der Ordegrondwet uitdrukkelijk