is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17 : 12) denkt den 'overmoedige', den onrechtzinnige van eigen volk, gelijk den leeuw in een mist&ar, in eene verborgene plaats, die misschien wel hetzelfde was als het latere n&péïov van Socr. H. E. 3: 2 en Sozom. H. E. 5:7; zulk een 'mistaar' of wel * fumjp hebben bij hunne inwijding in Klein-Azië misschien ook Grieken betreden en daarvan hebben zij dan allicht hun 'mystèrion' gemaakt. Want woordkundig aangezien is de samenhang tusschen het /.wtrnipiov en zijne fie/tvijfiévoi of ingewijden niet in orde, en bij laat zich bedenken, dat Ist&r voorondersteld is in dtrnjp en — 'Etrfyp, van wie Targüm II bij Esth. 2 : 7 zegt: „vocatum est nomen ejus Ester a nomine stellse Veneris." 'Magoeseeën' staat eigenlijk vooreen Arameeschen meervoudsvorm bij 'Magiër'. Bij Pherecydes zal waarin Ed. Meyer (2 : 760) in 1893

een opzettelijk verdraaiden naam heeft gezien, wel voor een Arameesch woord staan, dat spheer betee-

worden in Jez. 49:12 nog terugverwacht; van den beginne (vgl. Deut. 26:5) waren Joden Arameeën, maar geene Israëlieten. Ze waren niet met Israël over den Jordaan binnengekomen, maar later binnen getrokken uit het zuiden, en de god van Juda was geen steen (Gen. 49:24, Deut. 32:4, Jerem. 2:27) van Israël met name Jahwè, maar heette Jahü; de Joden van Elephantine hebben schriftelijk hunnen god Jhw, niet Jhwh, genoemd, en de naam Jehuda zelf ziet eruit als emphatische vorm van een Arameeschen naam Jahüd. Bij de Assyriërs heeten Juda en zijn god Jaudu en Jau, d. i. Jahüd en Jahü, en tusschen 800 en 700 v. Chr. bestond in NoordSyrië een Arameesche stam Ja'udi, waarvan een vorst nog Azrijau heeft geheeten, hoewel niet blijkt, dat Jahu nog werd gediend; hij zal (2 Kon. 18:4) als fetis bij de meerderheid in Jeruzalem zijn geweest. Heeft Juda daar ooit Kananeesch gesproken? Het'Hebreeuwsch'aldaar zal wel spreeken schrijftaal der betere standen, geene volkstaal, geweest zijn; de schriftuur des ouden verbonds is in hoofdzaak van Joodsche afkomst, maar de taal ervan, lesjóón tora, schijnt nooit eigenlijk die der Joden te zijn geweest. De Arameesche targoems, vgl. hier Neh. 8:9, zullen wel zoo oud zijn als de 'Hebreeuwsche' wet.

') Voor de Mithreesche, Orphische en Platonische verbeelding is het ondermaansche een hol; vgl. nog Porph. de A. N. 8, Just. Mart. Dial. 70, Plat. Civ. 7:1.