is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewustheid, het werkdadige denken, het eenige is, wat als het goddelijke in den mensch van buiten binnenkomt i; de bedoeling is wij sgeerige verbetering, maar wat verbeterd wordt is de theosophische leer, dat uit het astrale gebied, uit den setherischen sterrenhemel, het pneuma der ziel afkomstig is 2, — dat behouden wordt, zonder dat het verschil tusschen levensgeest, ziel en bewustheid, tusschen pneuma, psyché en noüs, afdoende wordt verduidelijkt en opgehelderd. 3 „Wat uit setherisch zaad is gesproten," zoo had (fragm. 836 Dind.) bijv. Euripides gesproken, „keert naar den hemelpool terug." „Aarde naar de aarde," had ook (zie Plutarchus: cons. ad Apoll. 15) Epicharmus getuigd, „het pneuma naar boven." En Euripides (Suppl. 533—534) herhaalt: „het pneuma

J . 24. Oupocvoü '/np xai civTpütv oufftotv u&épu kkIoü^ïv' auctor de mundo c. 2. "EvSvpx fuy^s ri 7t»!ü/ia- het Hermetisme, 10:17 Parthey.

1) AeiTttrai Si riv voOv fiivov SupxScv Ï7rsiTiévac xki Ssïov sïvat /ibvov. „HominiS 111-

telligentiam, quse quinta pars soli homini concessa est ex cethere": de 'Hermetische' Asclepius, 41:18. „E quo sunt astra mentesque": Cic. Acad. 1 : 26. „Humanus autem animus decerptus ex merite divina": Cic. D. T. 5 : 38. „Audivi Pythagoreosque.... nunquam dubitasse quin ex univevsa mente delibatos animos haberemus." Cicero 'de Senectute' 78; vgl. nog Disp. Tusc. 1 : 66.

2) Cicero: „inflammata anima." (D. T. 1 : 42.) „Sunt autem stellae natura Jammese." (De N. D. 2:118.) „Divinis animatse mentibus." (De R. P. 6:15.) „Animus datus est ex illis sempiternis ignibus, quae sidera et stellas vocamus." (S. Sc. 3: 7.) Vandaar, dat bij den dood de ziel weder ten hemel vaart; „de iEther heeft de zielen opgenomen, de aarde de lichamen," zegt het grafschrift voor de in 432 v. Chr. bij Potidsea gevallene Atheners. De gedachte, dat de 'Zeus' in ons, die bij den dood tot den eeuwigen iEther terugkeert, onze noüs, de bewustheid is, vinden wij dan (Troad. 886 + Hel. 1014—'16) bij Euripides; Xenocrates (Stob. Flor. 104 : 24) heeft als des menschen 'daemon' weer de ziel genoemd.

8) Aristoteles erkent overigens (de Gen. An. 2:3) zelf, dat de noüs groote moeite baart en men zijn best moet doen, om hem te vatten ouva//tv xa! xttSiam ivUXcTxi. Maar dat de noüs die moeite baart aan zichzelf en de moeilijkheid die der zelfkennis is, zegt hij weer niet; als volledige nietigheid en verkeerde oneindigheid heeft de bewustheid zich eerst begrepen in onze dagen.