is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tische Therapeuten, van wie Philo de Jood gewaagt in zijn geschrift 'over het beschouwelijk leven', uit de nalatenschap (Parthey 13 : 17-20) der Alexandrijnsche Hermesgerneente, uit de niet lang geleden wedergevondene 'Salomonische' (= Joodsch theosophische) 'oden', en uit de lofzangen en geestelijke liederen van Matth. 26 : 30, Hand. 16 : 25, Eph. 5:19, Col. 3:16, Eus. H. E. 5 : 28, 5. Chrysippus heeft opgemerkt, dat de iEther alles en zoo ook eigen vader en eigen zoon was x; dat Zeus die JUther is ook bij Cleanthes, ziet men reeds bij Cicero 'over de goden' 1:15, 40.2 Doch dit beteekent, dat bij slot van rekening de Zeus van den Stoïschen lofzang de Phanes is der Orphische hymnen. 3 Even Orphisch is het, dat (t. a. p.) Zeus bij de Stoïcijnen de Noodzakelijkheid heet; de 'wijzen', die volgens iEschylus Adr&steia hadden vereerd4, waren 'Orphische' wijzen geweest 5, en Proculus laat (in Plat. Tim. V 323c) Orpheus zeiven zeggen, dat

1) "Atzxvtk r'hrtv Ai&ip, o aïiris ü» xat izXTiip xai vib;. (Ap. Philodemum Tttpi £Ïwsj3sia{.) Philo Judseus : fa s*S xat tö rcav aürös dl». L. A. 1 :14. Het jEgyptische evangelie leert later, dat een en hetzelfde eeuwige wezen Vader, Zoon en Heilig Pneuma is: Epiphanius 62, 3.

2) De 'yEgyptenaren', die ('Isis en Osiris' 36) in de dagen van Plutarchus het Pneuma Zeus hebben genoemd, zullen wel Grieksch theosophische 'jEgyptenaren' zijn geweest; „Zeus," zegt (2:42) Herodotus, „noemen de JEgyptenaren Ammon."

s) „Orphicos hymnos revera qui intellexerit magnam naturalis magiae intelligentiam consecutus erit." H. C. Agrippa De occulta philosophia 2 : 59.

4) Oi TT^OffXUvoövTej rrtv 'ASptxaTeiav ropor Prom. 935. 'Hennes': yi olivSzpxlis Ssdi 'ASpanciu, i-niirrctpx ttr/rji twu SJmv. Stob. Ecl. 1 : 41, 44. TlvSoiybp«.s 'Avayxrjv iprj irepixeïaSou rw y.b-pra- Stob. Ecl. 1:4, 7. Tóv %pbvov t$v ayctipccv tov tcepiixovros -MI-

PI. Ph. 1:21. De Adrasteia der Orphische leeraren keert bij de Ophieten weder als Barbelo; deze is (Iren. 1:29, 1) J2on numquam senescens van de vrouwelijke zijde gedacht.

5) De sojjoi waren voor den Griek oorspronkelijk de 'handigen'; vgl. hier Hom. Iliad. 15 : 412 en Hes. Opp. et Dd. 649. Nog in de Nicomachische Zedenleer (6 : 7) heet ■tuSias ï&ovpydf so?b;. Omgekeerd staat bij den Gotischen Wulfila in l Cor. 1:20 voor roj>is weer 'handugs'.