is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Wereldbewerker, dat is Phanes, Adrasteia tot voedster en de Noodzakelijkheid tot gezellin heeft, om zoo voort te brengen wat wij ons onafwendbaar levenslot kunnen noemen. 1 Dat op het voetspoor der Orphische leeraren de Stoïcijnen niet alleen (Cic. Qu. Acad. II 41, Plac. Phil. 1:7. 17, D. L. 7:156-157) het goddelijk wezen als iEther en gloedrijk Pneuma dachten 2, maar ook als pneumadeeltje 3 de afzonderlijke ziel en de persoonlijke rede lieten gelden, heeft hen, van Posidonius afgezien, niet gemaakt tot leeraren der zielsverhuizing; Cleanthes heeft (Stob. Ecl. 4: 90) gezegd, dat de dommen, onder de ouden ook wel met steenen vergeleken, alleen voor het oog van de dieren verschillen4, Chrysippus heeft na den dood alleen de zielen der wijzen laten voortduren5, en Pansetius met name, de eenige Stoïcijn, die (Cic. de Div. 2 : 42, 88) de sterrenwichelarij verworpen heeft6 en

1) 'O Syjfiiovpybg, ui ó 'Oppevs jsvjffi, rpifzrot.i fiiv utzó rrjf 'ASpaoTZtas, <jOvs<ttl Sè rij

'Avayxy, yiwa Sè rijv Eï/xafluévvjv. Vergelijk over de laatste Chrysippus bij Stob. Ecl. 1:5, 15.

2) E?vai tö 7rvsü/jta xivouv éauró xai auroO* Chrysippus apud Stob. Ecl. 1:17, 374.

3) 'Ania-Kxi/IK alSépor D. L. 8 :28. Y•->•/+, S'avSpuitomv cct' alSépos ippi^arar de Orphici bij Vettius Valens, een astroloog der tweede eeuw. Cf. Sen. ep. 66 : 12.

4) „De dommen zijn gelijk aan de dieren." Seepher haz-Zohar II 118 b. „Wees niet als paard of muilezel, die geen verstand hebben." Ps 32:9 (31:9 V). Paard, ezel en rund hebben anders in de oudheid bij gelegenheid menschelijk gesproken; zie Hom. Iliad. 19: 407, Hyg. Poët. Astron. 2 : 23, Liv. 3:10.

6) Zoo hebben naar het zeggen ('Oudh.' 18:1, 3) van Josephus de Phariseeën geloofd, dat alleen de goeden zouden herleven, al huldigt de Misjna de leer eener algemeene opstanding; vgl. hier 2 Macc. 7: 14 en Luc. 14 :14, 20: 36, met Dan. 12 :2, 4 'Ezra 7 :32, Matth. 25: 32. „Stoici diu mansuros ajunt animos; semper, negant." Cic. D. T. 1:31, 77.

6) Op de Stoïcijnen, met name (Aug. de C. D. 5:2) op Posidonius, is toepasselijk wat Eusebius (Pr. Ev. 3:4) zegt na aanhaling van Chaeremon den Stoïcijn over de JSgyptenaren: „alleen aan de sterren schreven zij de oorzaak van alles toe, alles afhankelijk achtende van het noodlot en der sterren verandering en beweging".