is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naarmate Rome in macht toenam en een uitgestrekt, allesomvattend rijk werd, voelde de individueele mensch meer en meer zijn kleinheid en eenzaamheid. Dit gevoel, gepaard aan de toenemende verbijzondering der industrie, bracht een passie voor vereenigen mede en Collegia van vele soorten werden georganiseerd. Ze s een vluchtige blik op de inschriften onder het hoofd Artes et Opificia zal de enorme ontwikkeling van de bedreven vakken toonen, en hunne verbijzondering tot in de kleinste onderdeden. Spoedig had ieder vak zijn geheime orde of vereeniging, en zoo machtig werden deze dat de Keizers het noodig vonden het recht van vrije associatie af te schaffen Toch waren zelfs zulke edicten, hoewel zij een tijdlang hun uitwerking niet misten, hulpeloos tegenover de algemeene behoefte aan associatie en combinatie. Er werden gemakkelijk wegen gevonden om de wet te ontduiken die van hare beperkingen uitgezonderd had orden, gewijd door haar oudheid of door haar godsdienstig karakter. De meeste Collegia werden begrafenisgenootschappen of deden weldadige werken, daar nederige lieden de sombere, hopelooze duisternis van het plebejersleven en de nog hopeloozer duisternis van den dood trachtten te ontkomen. Boven alle beschrijving pathetisch zijn enkele der opschriften die van de afschuwelijkheid en eenzaamheid van het graf vertellen, van den dag waarop geen vriendelijk oog den vergeten naam zou lezen en geen hand een offer van bloemen zou brengen. Elk collegium hield herdenkingsdiensten en kenmerkte het graf van zijn dooden met de symbolen van zijn vak: indien het een bakker was, met een brood; indien het een bouwer was, met een winkelhaak, passer en waterpas.

Van den aanvang af schijnen de Collegia van Bouwheeren bijzondere voorrechten en vrijstellingen te hebben genoten wegens de waarde van hun verdienste jegens den Staat, en hoewel wij ze me als Vrijmetselaars vermeld vinden, waren zij zulks volgens de wet en volgens de feiten lang voor zij aldus werden genoemd Het was hun veroorloofd hunne eigen constituties en voorschriften te hebben zoowel wat het wereldsche als het godsdienstige betreft. In vorm, en wat officieren en symbolen aangaat, geleek een Romeinsch Co legium zeer veel op een hedendaagsche Vrijmetselaarsloge. Zoo kon bijvoorbeeld geen College bestaan uit minder dan drie personen en deze regel was zoo gestreng dat het gezegde „Drie vormen een College" een vaste wetsregel werd. Bij elk College zat een Magister of Meester vóór, met twee decuriones of opzieners, waarvan elk de