is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een geringe verwijzing naar het bouwen van Koning Salomo s Tempel in voor, waaraan de schrijver toevoegt: „In andere kronieken en boeken der Metselarij wordt gezegd dat Salomo de opdrachten die David aan de Metselaren gegeven had, bevestigde; en dat Salomo hun hunne gebruiken leerde, die maar weinig verschillen van de thans in zwang zijnde gebruiken". Er is een verwijzing naar den Meesterbouwer van den tempel, doch zijn naam wordt niet genoemd, behalve op verhulde wijze. Geen der Oude Plichten van de Orde maakt ooit van dezen naam gebruik, maar steeds wordt een of ander devies gebezigd om hem onder te verbergen 1). Waarom was dit zoo, wanneer de naam welbekend was, geschreven in den Bijbel die voor iedereen op het altaar lag ter lezing? Waarom zulk een weerzin, indien de naam en de legende, er aan verbonden, niet een esoterische beteekenis hadden, zooals dit zeer zeker het geval was lang eer een en ander tot een drama verwerkt werd? Bij dit punt eindigt de schrijver met de oude legende en hij volgt de Metselaars in Frankrijk en Engeland op de wijze van het Regius-Manuscript, maar met meer bijzonderheden. Nadat hij deze bijzonderheden opgemerkt heeft, keert hij terug tot Euclides en brengt die phase der traditie verder tot de komst van de orde in Engeland, er tot besluit de artikelen van de Maqonnieke wet, op een der eerste vergaderingen vastgesteld, aan toevoegende. Hij noemt er negen van in plaats van de vijftien die wij in het Regius-Manuscript aantreffen.

Wat zullen wij zeggen van deze legende met haar telkens terugkeerenden en aanhoudenden nadruk op de oudheid van de Orde en het verband dat tusschen Egypte en Israël gelegd wordt? In de eerste plaats verdwijnt door deze legende de fantasie dat het denkbeeld van de symbolische beteekenis van het bouwen van den Tempel van Salomo zijn oorsprong vond of werd opgeworpen in Bacon's New Atlantis. Hier hebben wij een hoeveelheid traditie die de Egyptische Mysteriën op een onmiskenbare wijze verbindt met de Hebreeuwsche geschiedenis van den Tempel. Waarom zulke namen als Hermes, Pythagoras en Euclides, en hoe kwamen deze in de oude verslagen van het gilde indien niet door de Comaciner kunstenaren

I) Namen als Aynone, Aymon, Ajuon, Dynon, Amon, Anon, Annon en Benaim worden opzettelijk en volgens een bepaald plan gebruikt. Het Inigo Jones Manuscript bezigt den Bijbelschen naam, maar hoewel het van 1607 dateert, heeft men aangetoond dat het apocrief is. Zie Gould's Historv, Aanhangsel. De Straatsburger bouwers beeldden de legende in steen uit.