is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te ontdoen daar het verslag, hoezeer ook bezoedeld, klaarblijkelijk tracht een feit van beteekenis voor de Orde te bewaren.

Gewoonlijk plaatst men de vergadering waarvan hier sprake is, in York in het jaar 926, hoewel van een en ander niet de minste aanteekening overbleef. Hetzij dan te York of elders, moet er een dergelijk soort vergadering bijeengeroepen zijn als een burgerlijke bijeenkomst of als een regelmatige bijeenkomst van Metselaars die door wettige macht het gezag hadden de eer van het vak op te houden. Het was waarschijnlijk een burgerlijke bijeenkomst, terwijl een gedeelte van haar wetgeving een herziene en goedgekeurde wetgeving voor de regulariseering van Metselaars was. En het was niet onnatuurlijk dat deze bijeenkomst, wegens haar belang voor de orde, bekend werd als een Magonnieke vergadering. Bovendien was de Plicht waarover men het eens werd, klaarblijkelijk geen gewone plicht, want men spreekt er van als „de plicht" en een manuscript noemt het zelfs ,,een diepgaande plicht betreffende de naleving van zulke artikelen als tot de Metselarij behooren" en een ander manuscript noemt het „een regel die voor immer gehouden moet worden." Later hadden andere bijeenkomsten plaats, hetzij jaarlijks of halfjaarlijks tot aan den tijd van Inigo Jones die in 1607 algemeen opziener van de Koninklijke gebouwen en tegelijkertijd hoofd van de Magonnieke orde in Engeland werd; ~en men zegt dat hij driemaandelijksche bijeenkomsten in plaats van de oude jaarlijksche heeft ingesteld.

Schrijvers die niet bekend zijn met de feiten, beschouwen dikwijls de Vrijmetselarij als een ontwikkeling uit de Gilde-metselarij, maar dat is een dwaling. Deze waren ook op geen enkel tijdstip vereenigd, hoewel zij door verscheidene eeuwen heen zij aan zij werkten. Vrijmetselaars bestonden in grooten getale lang voor er een of ander gilde van metselaren werd gevormd en zelfs nadat de gilden machtig werden, waren beide geheel van elkander onderscheiden. De Gilden

Howard (A. Q. C. VII, 73). Onderwijl wijst Upton op het feit dat St. Albans de naam van een stad was en niet van een man en toont hij aan dat er een vergissing in het verlag kan zijn ingeslopen (A. Q. C. VII, 119—31). De aard van de traditie, de bijzonderheden en de beweegreden en de afwezigheid van eenigerlei reden tot fictie moet iemand van verwerping weerhouden. Zie de twee merkwaardige artikelen door Begemann en Speth, getiteld „The Assemi/y" (A. Q. C. VII). Oudere Mafonnieke schrijvers zoaals Oliver en Mackey aanvaardden de Yorkvergadering als een vastgesteld feit (American Q-uarterly Review of Freemasonry I 546, II 245).