is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voldoende verontschuldiging zal zijn". Hij moest wijs en bescheiden zijn en geen werk ondernemen dat hij niet kon verrichten en ten einde brengen ten voordeele zoowel van zijn werkgever als van het vak. Zoo een Gezel een dwaling beging, moest hij zacht, vol overleg en vergevensgezind zijn, veeleer trachtende te helpen dan te kwetsen, schandaal en bittere woorden vermijdende. Hij moest niet trachten een Meester van de Loge of van het Werk van zijn plaats te verdringen of zijn werk te kleineeren, maar het loven en hem helpen om het te verbeteren. Hij moest vrijgevig zijn en weldadig ten opzichte van degenen die in nood verkeerden, een Gezel die in slechte omstandigheden gekomen was, helpen door hem werk en loon te geven gedurende tenminste veertien dagen of indien hij geen werk had hem „verlichten met geld om de redelijke kosten op weg naar de volgende loge te bestrijden". Voor het overige moest hij op allerlei wijzen handelen op een manier, passend bij den adel van zijn ambt en van zijn Orde.

Dit waren enkele van de wetten voor het zedelijk leven door welke de oude metselarij als vak trachtte haar leden te oefenen om niet ^alleen goede werklieden, maar ook goede en ware menschen te zijn die hun medemenschen dienden; waaraan, zooals het Rawlinson-Manuscript ons zegt, toegevoegd werden verscheidene nieuwe artikelen door de vrije keuze en de goedkeuring en de beste raadgevingen van de Volmaakte en Ware Metselaars, Meesters en Broederen. Indien deze wetten als ethiek voor het leven eenvoudig en elementair schijnen, zijn ze niettemin fundamenteel en zij blijven tot op den huidigen dag de eenige poort en weg welken diegenen moeten doorgaan en betreden die naar het Huis des Heeren willen gaan. Als zoodanig zijn zij grootsche en heilzame dingen die men ter harte kan nemen en volgens welke men kan handelen en als de Vrijmetselarij niets anders onderrichtte, zou haar recht op den eerbied der Menschheid duidelijk zijn. Zij hebben een dubbel aanzicht: ten eerste het bouwen van een geestelijken mensch op onveranderlijke zedelijke grondslagen; en ten tweede het groote en eenvoudige godsdienstige geloof in het Vaderschap van God, de Broederschap der Menschheid en het Eeuwige Leven, al hetwelk door de Vrijmetselarij sedert haar oudste geschiedenis tot op dezen goeden dag geleerd wordt. Moraliteit en een theïstische godsdienst

op deze twee rotsen heeft de Vrijmetselarij immer gestaan en zij zijn de eenige grondslag waarop de mensch ooit kan hopen het