is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl het ondenkbaar is dat omtrent een ouden graad — afgescheiden van de Oude Plichten die een deel van de oudste ritualen vormden — iets zou zijn teboekgesteld, zoo zijn wij toch in deze zaak niet geheel en al aan de genade van gissingen overgeleverd. Cesare Cantu verteld ons dat de Comaciner Meesters „in de Loggie bijeengeroepen werden door een Grootmeester, om de algemeene zaken van de orde te behandelen, nieuwelingen aan te nemen, en hoogere graden aan anderen te verleenen" 1). Getuigenis van dezen aard is in overvloedige mate aanwezig, maar men zal een niet geringe verwarring vermijden indien men de volgende overwegingen voor den geest houdt:

Ten eerste, dat het rituaal der Vrij-metselarij gedurende het werkdadig tijdperk als handwerk natuurlijk minder vormelijk en versierd was dan het later werd, vanwege het feit dat haar leven zelf een soort rituaal was en hare symbolen altijd zichtbaar waren in haar arbeid. Zoo moet men verder bedenken dat, toen zij ophield werkdadig te zijn als vak, en anderen die niet werkelijk bouwheeren waren, tot het lidmaatschap werden toegelaten, hare riten noodzakelijkerwijs vormeiijker werden — „zeer vormelijk" zooals Aubrey zeide in 1686,2) waarbij in ceremoniën afgebeeld werd, wat langen tijd aanwezig was geweest in haar symboliek en practijk.

Ten tweede, dat met het verval van de oude godsdienstige kunst van bouwen want dat was zij in waarheid — een gedeelte van haar symboliek haar luister verloor, waarbij haar vorm bleef leven, maar de beteekenis grootendeels, zoo al niet geheel, verloren ging. Wie weet bijvoorbeeld — zelfs met de verhandeling van Klein over Het Groote Symbool3) in handen — wat Pythagoras bedoeld heeft met zijn kleine en groote Tetractys? Dat dit meer waren dan mathematische theorema s is duidelijk, toch kon zelfs Plutarchus de beteekenis er van niet doorgronden. Op dezelfde wijze zijn enkele der symbolen in onze Loges verhuld of hebben andere beteekenissen die

J. W. Hughan, die pleit ten gunste van slechts één graad in de Loges der oudheid en die van G. W. Speth ten gunste van twéé graden, met de grondstoffen voor een derde, overzien het geheele veld volkomen en grondig en in het volle licht van de feiten (A. Q. C. X, 127, XI, 47). Wat betreft den derden graad, dezen zullen wij later beschouwen.

1) Storia di Como, I, 440.

2) Natural History of Wiltskire door John Aubrey, geschreven maar niet uitgegeven in 1686.

3) A. Q. C. X, 82.