is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

net publiek won, tengevolge van de juist genoemde omstandigheden; en dat niettegenstaande de opmerking van Anderson in Juni 1719: „Nu bezochten verscheidene oudere Broeders die het gilde veronachtzaamd hadden, de Loges; ook werden enkele edellieden tot Broeders gemaakt en meer nieuwe Loges werden geïnstalleerd". Stuckeley, de oudheidkundige, vertelt ons in zijn Dagboek onder dagteekening van Januari 1721 — op welk tijdstip hij werd ingewijd — dat hij de eerste persoon was die sedert jaren in Londen tot Vrijmetselaar werd gemaakt en dat het niet gemakkelijk was, genoeg lieden te vinden om de ceremonie te volbrengen. Tevens vertelt hij ons dat hij in de orde trad OM DE LANG VERBORGEN GEHEIMEN VAN „DE OUDE MYSTERIËN" TE VINDEN. Ongetwijfeld overdreef hij wat aantal betreft, hoewel het mogelijk is dat in dien tijd inwijdingen vergelijkenderwijs zeldzaam waren daar de Loges voor het grootste deel versterkt werden door het weder toetieden van oude Metselaars, zoowel Werkmetselaren als Bespiegelende Metselaren; en het kan zijn dat hij onder zijne vrienden weinig lieden gevonden heeft die voldoende kennis van het rituaal bezaten. Dat er echter eenige werkelijke moeilijkheid bestond om in Londen zeven Metselaars bijeen te brengen, is klaarblijkelijk een dwaasheid. Onmiddellijk daarna, zoo verhaalt Stuckeley, „breidde de Vrijmetselarij zich vliegensvlug uit en geraakte buiten adem door de dwaasheid harer leden", maar hij zegt ons niet welke die dwaasheid was. De „plotselinge uitbreiding" waarop hij doelt, was bijna zeker het gevolg vjn de aanvaarding van het Grootmeesterschap door den Hertog van Montagu, hetgeen de orde een prestige gaf die zij te voren niet bezat; ook werden in hetzelfde jaar, 1721, de oude Constituties van het gilde herzien.

De driemaandelijksche bijeenkomst der Grootloge werd in 1721 door twaalf Loges bijgewoond, door zestien in September, door twintig in December en tegen April 1723 was het aantal tot dertig gegroeid. Men merke op, dat al deze loges in Londen waren, hetgeen een feit is hetwelk overvloedig het optimisme rechtvaardigt van Anderson dat hij uitte in de laatste zinsnede van het Boek der C onstituties, in dat jaar uitgegeven. Tot dusver had de Grootloge haar rechtsgebied niet uitgebreid buiten Londen en Westminster, maar reeds het daaropvolgend jaar, 1724, waren er negen Loges in de provincies die zich onder haar gezag stelden, waarvan de eerste de Loge XXX in de Queenshead te Bath was. Binnen enkele jaren