is toegevoegd aan uw favorieten.

De bouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten tweede bestond er een neiging tengevolge van de werkzaamheid van enkele predikanten in de orde, om aan de Vrijmetselarij een beslist Christelijk karakter te geven, eerst in de verklaring der symbolen en later in het rituaal zelf. Dit feit js door onze geschiedschrijvers niet voldoende op den voorgrond gebracht, want het verklaart veel. Ten derde was daar nog het feit dat de Vrijmetselarij in Schotland verschilde van die in Engeland en dat deze twee niet zoo maar ineens harmonieerden, daar beide min of meer vasthielden aan hare gebruiken en tradities. Ten vierde leidde in één geval zoo niet in meer gevallen, een zekere trots op plaatselijke en geschiedkundige herinneringen tot een onafhankelijke organisatie. Ten vijfde bestond het steeds aanwezige element van persoonlijke ambitie waarmede alle vereenigingen van welken aard ook te allen tijde en op alle plaatsen aan deze zijde van den hemel rekening moeten houden. Alles te zamen genomen leidde de toestand ruimschoots tot verdeeldheid, zoo niet tot uitbarsting en het is nog een wonder dat er zoo weinig afscheidingen waren.

III

Sedert onheuglijke tijden was de oude stad York een zetel van het Vrijmetselaarsgilde geweest, want de traditie noemt haar reeds als zoodanig in de dagen van Athelstan in 926 n. Chr. Hoe dit zijn moge, de notulen van de Loge te York zijn de oudste in Engeland en de overblijfselen van het gilde die thans nog in deze stad bewaard blijven, geven haar het recht het Mekka der Vrijmetselarij genoemd te worden. Of het oude genootschap een Gewone of een Grootloge was, is niet duidelijk; doch in 1725 nam zij den titel aan van „Grootloge van geheel Engeland" — schijnbaar gevoelende dat haar krachtens haar oudheid aangeboren rechten in zekere mate geusurpeerd waren door de Grootloge te Londen. Na tien of vijftien jaar houden de notulen op, maar de verslagen van andere Grootloges maken er melding van dat zij nog werkzaam was. In 1761 deden zes van haar overlevende leden haar weder opleven als Grootloge die met steeds afwisselend succes bleef arbeiden tot zij eindelijk uitstierf in 1791, terwijl zij enkele, aan haar ondergeschikte, loges had, voornamelijk in Yorkshire. Hoewel zij nooit antagonistisch was, verkoos zij onafhankelijk te blijven en haar geschiedenis vormt een edele traditie. Door alle partijen werd erkend dat de York Vrijmetselarij zoowel oud