is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

162

wien hij werkte, „noit naer heur waerdy en eisch betaelt heeft".

Hetzelfde gedicht diende ook om Joan Lutma, vader en zoon, te prijzen, in wie „de ziel van Paulus scheen vervaeren", maar die, ofschoon zij in technische vaardigheid door niemand overtroffen werden, aan de in hun tijd gezochte gemaniëreerdheid en overlading te veel offerden om even smaakvolle en edele kunstwerken te kunnen scheppen als de beide Vianens. Sedert 1628 werden aan den ouden Lutma door de Regeering van Amsterdam herhaaldehjk goudsmidswerken opgedragen, wanneer er aan vorstelijke personen kostbare geschenken moesten worden aangeboden. Toen Lutma de Oude in 1669 overleed, schreef Vondel op hem een grafschrift en een ander op eene afbeelding van den vader door den zoon. Ook Geebaabdt Brandt gaf in vier versregels er zijne voldoening over te kennen, dat de vader, „wiens edle hamer op het zilvere panneel verheve schildery en beeltwerck had gedreven, door hamerslag zijns zoons in koper dus zou leven". Als beeld van den ouden Lutma kennen wij eene ets van 1656, een penningbeeld van 1659 en eene hamergravure, alles van de kunstvaardige hand zijns veelzijdigen zoons, die ook een hamergravure van Vondel maakte en die, evenals zijn vader, beroemd was om de door hem gedreven of gegraveerde penningen. Op één dezer, „ter gedachtenis der Vreede" van 1648 doör Joan Lutma op last der Burgemeesteren van Amsterdam gemaakt, hebben wij een bijschrift van Jan Vos, die ook een omschrift maakte voor den lijkpenning op Tromp (1658) en daarbij in herinnering bracht, dat de voortreffelijke graveur Wouter Muller „Tromp door kunst in zilver leeven" deed.

De medailleerkunst bleef dan ook niet buiten aanraking met de poëzie. Van Vondel hebben wij verscheidene kleine gedichtjes, hetzij op trouw-, hjk- of andere gedenkpenningen gegraveerd, bv. op den begrafenispenning voor Govert Flinck (1660), hetzij ter eere daarvan geschreven. Onder deze verdienen even vermeld te worden de gedichtjes „Matige Regeering" en „Maghtige Neering" op de beide zijden van „den Amsterdamschen gedenckpenning", in 1655 vervaardigd door Jurriaan Pool bij de stichting van het stadhuis, dat op de voorzijde is afgebeeld, terwijl op de keerzijde het Amsterdamsche koggeschip zich vertoont als een tweede Argo met den buit van het guldenvlies beladen. Een tweede gedichtje „Machtige neering", waarin sprake is van Amsterdam's „macht