is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

225

Voa en trachten wij ons te onttrekken aan den invloed, dien zijn groote naam allicht op ons oordeel oefent, dan zullen wij moeten erkennen, dat de vertoonde gruwelen in beide spelen volkomen dezelfde zijn. Dat ze ons bij Vos nog afschuwelijker voorkomen dan bij Shakespearei zal dus wel hiervan het gevolg zijn, dat zij bij Vos sterker indruk op ons maken, en wij verlangen nu liefst het tegenovergestelde. In de oogen der tijdgenooten echter had Vos dat vóór op Shakespeare, dien zij waarschijnlijk vèr beneden hem gesteld zouden hebben, als zij diens „Titus Andronicus" hadden gekend.

Waardoor nu heeft Vos dien sterken indruk te weeg gebracht? Het juiste antwoord zal wel zijn: door de rhetoriek der verzen, want het is niet — zooals Vos later zelf wel meende — het zien, maar juist het hooren, dat ons treft. Vergeleken bij de hoogdravende, en voor ons zelfs veel te hoogdravende, alexandrijnen van Vos, moet het rijmlooze vers van Shakespeare hun banaal geklonken hebben. Een stuk van Shakespeare moet voor hen een roman of zelfs een sprookje in tooneelvorm geweest zijn, nog te alledaagscher wanneer er ook comische tusschenspelen in Voorkwamen, zooals het door Vos weggelaten tooneel met den boer, die aan Saturninus een koppel duiven komt aanbieden. Een stuk als dat van Vos daarentegen was in hun oog een echt treurspel in den trant van den door hen zoo hoog vereerden Seneca, en het zal Barlaeus vooral verbaasd hebben, hoe een geheel ongeletterd man in staat was geweest zoo goed toon en trant van Seneca na te volgen.

Heeft men in later tijd, wat Vondel in een lofdichtje op Vos „een stem gewrongen door een boghtige trompet" noemde, bij het gebrul van een woesteling vergeleken, te ontkennen valt het niet, dat de verzen van Vos krachtig en gespierd, de woorden wel wat al te forsch, maar teekenachtig zijn, en dat het bovenal zijne eigene taal is, die hij spreekt. Hetgeen later bij hem als lage straattaal te midden van hoogdravende dichtertaal hinderde, kon bij zijn eerste optreden nog niet dien ongunstigen indruk maken, omdat eerst allengs — vooral door den invloed van Vondel's poëzie — de conventioneele onderscheiding is begonnen gemaakt te worden tusschen dichtertaal en alledaagsche omgangstaal. Barlaeus zal ongetwijfeld de door Vos gebruikte woorden en beelden Seneca waardig gekeurd hebben.

Tb Winkel IV. 18