is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

366

scheiden van trant en stof, in herinnering, maar hij was niet als Oudaen gestemd om zijn sterfdag als een geboortedag te vieren, want daarvoor was hij ook persoonlijk te innig aan hem gehecht geweest. Hij betreurde het, dat „nu 't vier van die doordringende arendsoogen als met een zwarten nacht en wolken overtogen" was, en dat hij nu nooit meer uit „dien mont den gront der dichtery zou leeren", maar voortaan op eigen wieken zou moeten drijven. Te Amsterdam, zeide hij, waar de groote Dichter, ofschoon aan den Keulschen Eijn geboren, het ware leven aan den IJstroom ontvangen had en waar nu zijn gebeente rustte, zou geen praalgraf voor hem kunnen gebouwd worden, grootsch of kostbaar genoeg om hem naar verdienste te eeren, en hij besloot met deze profetische woorden: „Zoolang men Neerduitsch dicht verstaet en houd in waerde, zal meer en meer zyn lof zich spreyen over d' aerde ".

Deze woorden begonnen in de negentiende eeuw in vervulling te komen, toen een Engelsch geleerde (George Edmundson, in 1885) *) in eene monographie Vondel met Milton vergeleek, een Duitsch geleerde (A. Baumgartner, in 1882) en een Pransche (Camille Looten, in 1889) ieder eene uitvoerige biographie van Vondel schreef, en vijf zijner treurspelen in het Hoogduitsch werden vertaald en daaronder de „Jeptha" tweemaal en de „Lucifer" vijfmaal, terwijl de „Lucifer" ook in het Engelsch, „Lucifer" en „Gysbreght" ook in het Pransch werden overgebracht.

LXI.

Oudaen en andere aanhangers van Johan de Witt.

Met Vondel was, indien wij Huygens uitzonderen, die hem nog acht jaar overleefde, de laatste groote dichter van den bloeitijd onzer letteren ten grave gedaald, en onder de dichters van minderen rang waren er slechts weinige in staat de eer der poëzie in zijn geest te handhaven. Tot die weinige behoorden echter in de eerste plaats die dichters, met wier voortreffelijke hjkzangen op den grootmeester der poëzie wij reeds kennis maakten: Joachim Oudaen en Joannes Antonides van der Goes. Zij kunnen als de heksluiters van het groote tijdvak worden beschouwd, daar zij reeds in den aanvang der nieuwe periode gestorven zijn. Ook dagteekent

l) Zie boven, bl. 209.