is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

eeuw later bij het groote publiek tegen alle waarheid in te boek heeft gestaan als een liefhebber van de flesch, zoodat er zelfs anecdotes in dien geest van hem in omloop zijn gekomen, vindt misschien in deze onwaardige grappenmakerij van Eosseau zijn oorsprong.

Toen dit rijmwerkje geschreven werd, was Jan van Gyzen1) (29 Mei 1668 te Haarlem geboren) juist (namelijk 29 Januari 1722) bverleden te Amsterdam, waar hij, evenals in zijne geboorteplaats, in het eerste kwart der achttiende eeuw als straatpoëet en broodschrijver, zooals hij heet, eene eigenaardige en zeer bekende figuur is geweest. Vooral ook als koerantier had hij er de aandacht getrokken door van 1711 tot aan zijn dood wekelijks een nummer uit te geven van zijn „Amsterdamsche Merkurius". Al vóór dien tijd was hij berichtgever geweest van de staats- en krijgsbedrijven van den dag, ook in rijm, en niet alleen in ernstigen, maar ook in boertigen trant. Zoo had hij b.v. met zijn vriend Jan Pook gewedijverd door het uitgeven van acht samenspraken van „Harlequin met zyn rarekiek, vertoonende op boertige wijze", hetgeen in 1709 en 1710 in de Zuidelijke Nederlanden op het oorlogsterrein had plaats gehad.

Deze acht „Harlequins" werden ook opgenomen in het derde deel van „De werken van Jan van Gyzen" (van 1711), dat grootendeels „ernstige en boertige heldendichten" bevat, tegenover het tweede deel (van 1708) met „Stigtelyke Poëzy", en het eerste (van 1707), waarin men eene verzameling vindt van zijne „Treur- en Zeegenzangen, Lyk- en Nieuwejaars Gedichten, Ernst en Boert". Daarin vindt men ook zijn portret, eene leelijke titelprent en nog een paar andere etsen: alles het werk van Pibter Langendijk, die ook voor elk dezer drie deelen ernstig gemeende lofdichten gemaakt heeft op Jan van Gyzen, Haarlemmer en wever van beroep, evenals hij zelf, en ondanks het nu weinig genietbare zijner veel gelezen werken misschien zijn leermeester in de rijmkunst.

Wij mogen ons niet te lang ophouden bij dezen populairen, maar toch onder de dichters van zijn tijd nooit voor vol aangezienen rijmelaar, en vermelden van zijne vele kleinere dichtwerkjes, waaronder ook kluchtspelen, daarom nog maar alleen ,,'t Zuur en zoet der armoed'? (van 1714), waarvan hij uit ervaring wist te spreken, zijn volksliedboek met grove houtsneden, „De vermaackelyke Haar-

*) Over hem zie men Corn. J. Gimpel in „Zeventiende Jaarboek van Amstelodamum", Amst. 1919 bl. 81—113, die gunstiger over hem als dichter oordeelt dan tijdgenoot en nageslacht hebben gedaan en zijn oordeel tracht te staven met vele aanhalingen uit zijn „Amsterdamsche Merkurius".