is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

opgevat, al hunne satiren, voor zoover zij nog niet door anderen vertaald waren, in het Nederlandsch over te brengen, doch heeft niet meer kunnen voltooien dan goede vertalingen van het negende en het vijftiende schimpdicht van Juvenahs, die in 1709 het licht zagen. De Metamorphosen van Ovidius deden hem de stof aan de hand van zijn treurspel „Meleager en Atalante", waarop wij later nog terugkomen, en waarin geheele stukken voorkomen, die hij uit Ovidius vertaald heeft. Onder zijne mengeldichten treden zijne herders- en visscherszangen op den voorgrond, die door Vlaming, een kenner van die dichtsoort, „teder, natuurlyk en eenvoudig" worden genoemd. Daarin wedijverde hij met vele anderen, zonder nochtans allen te kunnen overtreffen. In elk geval bewees hij er mee, hoe goed hij was doorgedrongen in den geest van Virgilius, die ook zijn groote leermeester was bij het schrijven van die hooggestemde heldendichten, waarin hij inderdaad boven al zijne tijdgenooten uitmuntte.

Met herderszangen was hij als dichter begonnen, maar, zooals hij zegt, „zyn zangeres, die 't buitenleeven mint en steets haar veltdeun strooit onachtzaam in den wint", had niet kunnen weigeren, toen „Apol haar de goude citer aanbood, om onder het gedreun van hondert veltmetaalen der helden lof tot aan de zonnestraalen te heffen", en zoo wekte hij dan de „Vaderlanders" op om naar zijn „zegetoon" te luisteren, wanneer zijn „Klio de Heldendeucht, die gantsch Euroop vervult, met een triomfgeschal" luide zou verkondigen. Het eerst deed hij dat in 1706 nog in den vorm van het herdersdicht, dien hij later voor deze stof niet meer gebruikte, 't Was de herderszang „De Cikloop, op de nederlaagen van Lodewyk XIV, voornaamentlyk eenige van den jaare 1706". Hij legde dien in den mond van Veldeling, die bereid is „den Goden een ooi op te offeren, het keurigste uit zyn stallen", nu •hij er zich over mag verheugen, dat de Tuinleeuw en de Adelaar, bygestaan door den Eenhoorn, samen wraak genomen hebben over het leed,hun eenmaal aangedaan door den grijzen, nu „in zyn rots gekluisterden Polifeem, wiens Haan zy de slagpen uit de vlerk gerukt hebben", zoodat nu weer „Saturnus goude tyt herbooren" schijnt en „kuisse Liefde en Eendracht weer kunnen bloeien".

In hetzelfde jaar schreef hij ook een heldendicht „Op de roemruchtige overwinning, behaalt op het leger der Franschen in Brabant by Jodoigne" (of Bamihes), en een sonnet „Op de verovering van Ostende onder het beleyt van Veltmaarschalk Heere van Ou-