is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

851

hij er ongehuwd, want hij had hefdesbetrekkingen aangeknoopt met eene Leeuwardsche hellebaardiersdochter, Marie Crullers, bij wie hij twee onechtelijke kinderen had en van wie hij zich moest loskoopen, toen hij in 1787 een, eerst lang uitgesteld, huwehjk sloot beneden zijn stand met Marianne Charles, eene Engelsche uit het gevolg van Prinses Anna, en elf jaar ouder dan hij. Alleen zijne begaafdheid en beminnelijkheid in den omgang waren oorzaken, dat hij aan het hof van den Frieschen stadhouder, van wien hij in zijne kinderjaren de speelkameraad geweest was, met achteruit werd gezet, ofschoon Prinses Anna hem dat huwehjk nooit vergaf. Hartstochtelijk m alles, maar, vooral waar het vrouwen gold, weinig in staat zich zelf te beheerschen, zorgeloos en verkwistend, heeft hij de schitterende toekomst, die zijne groote begaafdheden hem beloofden, telkens weder door ondoordachte handelingen roekeloos verspeeld, al blonk hij ook telkens een oogenbhk uit in de aanzienhjke kringen, waarin bij verkeerde.

Kunst en wetenschap trokken hem altijd bijzonder aan en in de Fransche litteratuur, waarmee hij dweepte, was Voltaire zijn afgod. Dezen van verre te volgen is het hoogste geweest, waarnaar zijne eerzucht volhardender dan naar iets anders, gestreefd heeft. Vooral wilde hij Voltaire volgen als heldendichter, waarbij hij zich volkomen aansloot bij de regels, die de Fransche critici voor het heldendicht hadden aangenomen en waarvan het inachtnemen naar zijne meening dan ook eene „noodzakelykheid" was. In den zomer van 1738 kwam het denkbeeld bij hem op om in een heldendicht „Friso uit Indië naar de oevers van den Vhestroom te geleiden." Letterkundige vrienden „oordeelden dit een werk te zyn van ongemeene zwarigheden, die misschien onder het bewerken der stoffe als onverwinnelyk zouden voorkoomen", maar hij het zich niet afschrikken, en toen hij het werk twee jaar later had voltooid, achtten dezelfde vrienden het „waardig om onder het oog van eenen Aristarchus te verschynen." Petrus Burmannus Secundus, toen nog hoogleeraar te Franeker, later te Amsterdam, bracht hem in aanraking met Balthazar Huydeooper, en deze „nam", zooals hij in de voorrede voor zijn gedicht zeide, „de onaangename en verdrietige bezigheid om hetzelve te ontleeden eedehnoedig en alleen met inzigten om de kunsten en weetenschappen te bevoordeelen op zich." Wij kennen nog de vele, bijna uitsluitend taalkundige, voor-