is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

420

verkoopen eener vertaling van zijn „Traité sar la tolérance", dat nochtans in 1774 hier reeds driemaal gedrukt was.

Dat het hier zooveel werd gelezen behoeft ons wel niet te verbazen. Dat het ook zoo streng verboden is kunnen worden in een land als onze Republiek, dat er steeds eene eer in had gesteld als het toevluchtsoord der verdraagzaamheid bekend te staan, zou. ons veeleer kunnen verwonderen, indien wij verzuimden, twee soorten van verdraagzaamheid te onderscheiden. De eene, op verstandelijke overwegingen berustend, hadden wij te danken aan de wijsheid onzer vroede vaderen, die geleerd hadden, dat het in het welbegrepen belang van staat en maatschappij was, verdraagzaamheid in acht te nemen tegenover andersdenkenden, met wie ook zonder die verdraagzaamheid handeldrijven onmogelijk zou geweest zijn. Zij kon zeer goed samengaan met een ongeschokt vertrouwen op de juistheid van eigen overtuiging en sloot besliste afkeuring van afwijkende meeningen geenszins uit. Zelfs kon men in die verdraagzaamheid tegenover anderen den besten waarborg zien voor de onaantastbaarheid van eigen overtuiging, wanneer dwinglandij die zou wenschen aan te randen. Vrijheidsliefde had dus verdraagzaamheid tot een noodzakelijk gevolg en onverdraagzaamheid was eene domheid veeleer dan eene ondeugd.

De tolerantie, door Voltaire gepredikt, was echter iets anders. Zij berustte vooral op gevoelsgronden, want Voltaire was, schoon als hardvochtig spotter te boek staand, naar den indruk, dien ik van hem gekregen heb, in den grond een gevoelsman, veel meer dan Rousseau, wiens sentimentaliteit hoofdzakelijk gevoelsvertoon was of eene tweedehandsche gevoeligheid voor het gevoelvolle in artistiekeh vorm. Wezenlijk medelijden en diepe verontwaardiging daarentegen dreven Voltaire aan, te strijden voor de rechtvaardige zaak van den als protestant vervolgden Jean Calas, en met zijn pleidooi voor de verdraagzaamheid heeft hij in 1768 den strijd gewonnen. Maar de gevoelsverdraagzaamheid, die opkomt voor het recht der persoonlijkheid van den evenmensch, is minachtend, zoo al niet vijandig gezind ten aanzien van alle dogmatisch geloof, wanneer dat met gezag optreedt, en vervolgt zelf met onverdraagzamen ijver de onverdraagzaamheid van anderen. Daarbij maakt zij bovendien den indruk van een gevaarlijk, alles omvërwerpend verstandelijk scepticisme aan te kweeken,