is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

Feith had hij verder nog gemeen, dat hij een groot deel van zijn leven op zijn landgoed doorbracht, namelijk het riddergoed de Wildenborch bij Lochem, waar hij zich met uitstekend gevolg op heideontginning en boschbouw toelegde en zich rustig aan zijn gezin en aan studie en letteren wijden kon.

Nog als student, in 1786, gaf hij onder den titel Mijne eerste Proeven in de Poëzij een veertiental gedichten uit, die weinig indruk maakten en, ofschoon de critiek zijne „vuurige verbeeldingskragt" en „vloeyenden rymtrant" prees, toch onrijpe vruchten genoemd werden, met meer dan te veel „van het hedendaagsche sentimenteele", waaraan men den leerling van Feith kon herkennen. Deze had hem dan ook, minstens sedert 1784, welwillend aangemoedigd als een veel belovend jong dichter en van goeden raad gediend. Vreemd was het dan ook niet, dat er in den bundel ook drie romances voorkwamen, nl. „Emma en Adolph", „Ada en Eeimond" (bewerking van Goldsmith's „The Hermit") en „Maria", van welke de laatste niet meer en beide andere alleen veel gewijzigd herdrukt werden.

Na van 1787 tot 1789 in Göttingen physica en chemie gestudeerd te hebben en daar zijne ingenomenheid met de letteren nog te hebben aangekweekt, gaf Staring in 1791 een tweede bundeltje Dichtoeffening uit, waarin het sentimenteele reeds minder overheerscht, dan in het eerste. Het bevat nog twee romances: „De Zwarte vrouw van Wildenborch", de eerste zijner Geldersche romances (in 1798 het slot geworden der romance „Lenore") en „Hoop verloren, trouw bewaard", eene Harderwijksche vertelling, waarin de dichttrant van Cats is nagebootst. Blijkbaar bleef Feith, al hield Staring ook langzamerhand op als dichter zijn geestverwant te zijn, diens romances waardeeren, want nog in 1793 nam hij eene derde veel uitvoeriger Geldersche romance in twee zangen, „Wichard van Pont" gaarne van hem in zijne „Bydragen" op. Wij zullen er hier niet verder over uitweiden, omdat Staring eerst veel later na lange oefening die hoogte heeft bereikt, die hem met minachting op de poëzie zijner jeugd deed neerzien en hem tot een der meest geliefde dichters van de negentiende eeuw heeft gemaakt, juist ook in het vak van romance en vertelling, dat niemand beter dan hij in onze letterkunde vertegenwoordigt.

Feith was niet alleen dichter. In 1788 trad hij ook als dichterlijk prozaschrijver op. Het eerste, wat hij reeds eenigen tijd te voren