is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

pistool al overgehaald om een einde te maken aan een leven, dat reeds twee vrouwen ongelukkig heeft gemaakt, als opeens Constantia, wier gloeiende liefde over haar beleedigd eergevoel had gezegevierd en haar had voortgedreven om haar Ferdinand overal te zoeken, hem van zijne wanhoopsdaad terughoudt en met hem het gewenschte huwelijk sluit, dat door Cecilia's vader wordt ingezegend.

In dezen roman, waarin gevoelsontboezeming en deugdsverheerlijking wat meer binnen de perken blijven, is Cecilia de persoon, die de meeste belangstelling bij ons wekt, en die in hare teder-onschuldige liefde, waarvan het besef eerst langzaam tot haar doordringt, zeer verdienstelijk is geschilderd, zij het ook niet geheel zonder de kleuren van Goethe's palet. Het tooneel b.v., waarin zij voor Ferdinand Feith's lied „wreedgescheiden lievelingen" zingt, is, hoe ook tot in het bespottelijke overgevoelig, met veel kunst en ook niet zonder waarheid geteekend, en zoo ook dat, waarin zij in alle eerlijke oprechtheid hare liefde aan Ferdinand bekent.

In denzelfden tijd als zijn „Ferdinand en Constantia" gaf Feith ook nog eene vrije navolging van Lavater's „Geheimes Tagebuch von einem Beobachter seines selbst" (van 1771—78) 1), maar in wat anderen geest. Hij noemde het Dagboek mijner goede loerken in rekening gébragt bij God tegen den dag der algemeene vergelding; maar die goede werken zijn fictie en dienen alleen om de leer te verkondigen, dat geen mensch in staat is, volkomen goede werken te verrichten, tenzij een zuiver godsdienstig gevoel van dankbaarheid aan God ze hem ingaf. De twee bundels Zedelijke Verhalen, die nog in 1788—89 door Feith werden uitgegeven, bevatten alleen vertalingen. Meerendeels zijn het zeer sentimenteele liefdesgeschiedenissen, die zich in het bijzonder ten doel stellen, te doen uitkomen, hoe dikwijls de hardheid der heerschende rechts- en zedenleer met de gevoelsmoraal in strijd komt, zoodat misdadigers vaak veeleer medelijden verdienen dan straf.

Oorspronkelijk werk, tot op zekere hoogte althans, zijn daaren-i tegen weer Feith's treurspelen, vier in getal, waarmee hij in 1784 optrad, toen hij zijn Thirsa of de zege van den godsdienst 2) uitgaf. De „Thirsa und ihre Söhne" (1778) van A. H. Niemeyer had hem zéker het onderwerp aan de hand gedaan: het moedig gedrag van Thirsa tegenover Antiochus Epiphanes, die reeds zes harer zonen

*) Zie daarover boven, bl. 44 vlg.

2) In het Fransch werd de „Thirsa" uitg. door Aug. Clavareau, Brux. 1830.