is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

dan een geliefd echtgenoot voor haar worden, en hare geestgemeenschap met hem vervulde haar hart niet zóó zeer, dat daarin niet nog ruim plaats voor vriendschap overbleef. Door het aankweeken van innige, zelfs min of meer sentimenteele vriendschap, die in haar tijd bijna mode was geworden, en waaraan soms een zweem van zinnelijk welgevallen verbonden was, stelde zij srich schadeloos voor hetgeen haar ontbrak aan liefde, die haar aandoenlijk hart zoo noode kon missen. Maar meestal behield die vriendschap een geestehjk karakter door zich nauw te verbinden aan haar letterkundigen arbeid.

Het oudste gedicht, dat wij van haar kennen, „Ons leven is een bloem", dagteekent van 1760 en werd gedrukt onder de toegiften tot hare „Bespiegelingen over het Genoegen", waarmee zij in 1768 voor 't eerst openhjk als dichteres optrad, maar dat zij later als „proza op rym" veroordeelde. Hare in 1765 volgende „Bespiegelingen over den staat der Bechtheid, den Val en den gevallen Mensch" noemde zij zelve, ook om den inhoud, nog minder waard dan het vorige, en de „Eenzame Nachtgedachten over den Slaap en den Dood", die in 't zelfde jaar uitkwamen, keurde zij later af, omdat zij daarin juist te ver van den eenvoud was afgeweken, zoodat zij in al te „gebloemden styl" geschreven waren.

In proza gaf zij in dien zelfden tijd ook vertalingen uit Fransch en Engelsch, zooals zij er later nog vele zou geven, en dan ook uit het Hoogduitsch, dat zij, naar hare eigen bekentenis, in dezen tijd nog niet genoeg verstond, waarom het dan ook niet te verwonderen is, dat zij nooit, zooals Van Alphen en Feith, onder den invloed der Duitsche poëzie is gekomen. Ei oorspronkehjk proza leverde zij, onder het pseudoniem Silviana, bijdragen tot de Spectatoriale Vertoogen van „De Grijzaard", die van Juli 1767 tot Juni 1769 werd uitgegeven.

Van meer beteekenis was in 1769 haar dichtstuk Walcheren in vier zangen, waaraan ook nog „Mengeldichten" waren toegevoegd. Bij den tweeden, van eene merkwaardige voorrede voorzienen, druk van 1784 heeft zij zeer vele fouten en lamme versregels verbeterd, maar ook zóó is het nog geen meesterstuk geworden. Toch munt het boven al haar vorig dichtwerk uit door natuurlijkheid, die niet al te dikwijls tot plat proza vervalt, door levendigheid van schildering en afwisseling van stof, zoodat het onderscheid tusschen dit dichtwerk ter eere van hare gehefkoosde geboortestreek en de