is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

265

wij niet uit te weiden, en alleen het „Dichterlyk tafereel der stad Leyden" van E. H. Arntzenius te vermelden, omdat Bilderdijk dat bespottelijk maakte door er allerlei critische versregels tusschen te voegen, zooals hij dat vroeger wel meer, b.v. ook met Feith's eerste romance, had gedaan. Kwam deze parodie alleen in handschrift in omloop, samen met een historisch prozawerk van Siegenbeek werd van Bilderdijk in 1808 een uitvoerig gedicht op „Leydens ramp" gedrukt, en gaarne zou hij ook met anderen hebben bijgedragen om geldelijken steun te verleenen aan zoovelen als door de ramp van al het hunne beroofd waren, indien hij niet, als altijd, zelf geldgebrek had gehad. Toch deed hij wat hij kon, en het bleek in dit geval veel te zijn, door voor die slachtoffers de opbrengst te bestemmen van een groot dichtwerk, dat hij in November 1806 had voltooid en in het begin van 1807 uitgaf. Dat dichtwerk was een zijner meesterwerken: De ziekte der geleerden1).

In dit werk scheen Bilderdijk een geheel nieuw onderwerp behandeld, naast „het platgetreden pad" een nieuwen weg naar den Parnas gevonden te hebben, doch inderdaad was dat het geval niet. Zelf sprak hij van het Latijnsche gedicht „Neuropathia" van Fleming, waarvan hij zich flauwehjk herinnerde, het als kind van zes of zeven jaar te hebben gelezen, en waarvan hij zeide, „dat meer dan één Amsterdamsch dichter daar eene vertaling van ondernam, waarvan echter geene het licht heeft gezien". Dat was eene misleidende halve waarheid. Het gedicht van Fleming was door Bilderdijk's eigen vader in Nederlandsche verzen vertaald. Ongetwijfeld heeft hij het ook nog op lateren leeftijd in handschrift gelezen en behoort het tot de bronnen van zijn eigen dichtwerk. Verder is aangetoond, dat Bilderdijk zijne medische kennis grootendeels uit de werken van Tissot, Eamazzini en anderen geput heeft en dus de oorspronkelijkheid zijner medische beschouwingen, waarop hij zich beroemde, slechts schijnvertoon was 2).

. l) Door Bilderdijk zelf is De Ziekte der Geleerden tweemaal uitgegeven: te Amst. 's-Grav. in 1807 en te Botterdam in 1828. Later is het dichtwerk, behalve in Da Costa's uitgave van „De Dichtwerken van Bilderdijk" (1858), nog afzonderlijk uitgegeven „met inleiding en aant." door J. David, Leuven 1848 en, eveneens met toelichting, door P. Kat Pz. in het Klass. Lett. Pantheon Nr. 20 Zutphen 1893.

2) Voor dit dichtwerk zie men in 't bijzonder: A. de Jager, in „Taal- en Letterbode" III (1872) bl. 316 vlg., P. F. Th. van Hoogstraten, in de „Dietsche Warande, N. R. III (1881) bl. 440—472 en W. B. van Staveren, Bilderdijk en de Geneeskunde in het Bilderdijk-Gedenkboek" (1906) bl. 263—332, Daartegenover