is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van Middeleeuwen en Rederijkerstijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

127

namen. In het Wafelhuis had vóór 1842 ook de wat jongere vereeniging „Jong en Leerzuchtig" reeds gespeeld, om toen „De Hoop" naar de „Variétés" voor te gaan. Andere gezelschappen noemden zich „Rhetorica" (reeds in 1818 gesticht) en „Liefde en Eendragt", waarvoor Slbbckx een viertal tooneelstukjes schreef (in 1841 onder het pseudoniem Albrecht van den Bossche uitgegeven), vóór het zich in twee andere gezelschappen splitste, namelijk „Liefde" (in 1848) en „Eendragt" (in 1850).

Vooral sedert 1840 nam de begeerte om Vlaamsche tooneeluitvoeringen te geven in Antwerpen sterk toe. In dat jaar werden niet minder dan drie nieuwe vereenigingen gesticht: „De Tponeelvrienden", die in „den Bastiaen op de Yzeren Waeg" speelden, „De Vriendenkring", die in de „Sodaliteyt" (later de stadsbibliotheek) optraden, en de bloeiendste van alle, „De Scheldegalm", die zich reeds van den aanvang af in het „Théatre des Variétés" deed hooren. Vele andere volgden, om na korter of langer tijd weer te bezwijken, zooals in 1841 de „Venus", die vertooningen gaf in „De Dry Koningen" op de Koepoortsbrug, en in 1842 „De lustige Vrienden", die bij hunne tooneelvertooningen in „de Vos" een talentvol leidsman bezaten in Victor Dbiessens *) (geb. te Eijsel 6 Mei 1820 f 4 April 1885), maar hunne levenskracht verloren, toen Dbiessens zich naar Parijs had begeven om zich daar verder in de tooneelspeelkunst te bekwamen. In 1845 teruggekeerd, trad hij nu aanvankelijk meest in „De Hoop" op, totdat hij in 1850 de stichter werd van eene nieuwe Antwerpsche tooneelvereeniging, „De Dageraed". Daar werden ook eenige door hem reeds vroeger vertaalde tooneelstukken vertoond en ook enkele oorspronkelijke bhjspelen met zang, zooals De vrolyke kruiskensdag (van 1849) en De student zonder geld (van 1851), en daar vormde hij zich tevens tot den beroemden beroepsactéur van later tijd. Verder verrezen te Antwerpen nog als tooneelgezelschappen, in 1846 „Broederliefde", in 1847 „Taelliefde" en in 1852 „De jonge leeuw".

Natuurlijk waren het in België, evenals in de Noordehjke Nederlanden, meestal vertalingen uit Fransch en Hoogduitsch, die er vertoond werden: stukken van Ducange, Pixérécourt, De Rouge-

l) Voor Viotor Driessens zie men Eduard van Bergen, Vietor Driessens in JU., en Z.-Ned. Tooneelalmanak voor 1877" blz. 162—176, en Boaier Eaaasen, in Mijn leven. Auto-biographie, Rott. (1897), bl. 71—81.