is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294

TËLOKBËTONG - TEMANGGOENG.

Van Gëdong Tataan af loopt een weg in W. richting langs Margakaja tot Tandjoeng Koemala, en een in Z.W. later W. richting door de vruchtbare en welvarende „Wai Lima" (waar tal van sawahcomplexen worden aangetroffen en de bevolking groote peperaanplantingen bezit) tot Soeka Mara, welke kampoeng door een weg verbonden is met Tandjoeng Koemala. Van deze kampoeng voert de groote weg verder naar de aangrenzende onderafdeeling Kota Agoeng.

De kampoengs langs de Oostkust van de Lampongbaai zijn door een grooten weg met Tëlokbëtong verbonden, die verder naar de aangrenzende onderafd. Kalianda leidt. Aan deze Oostkust bevindt zich de Oosthaven nabij de kampoeng Pandjang, een door de natuur gevormde veilige en diepe ligplaats voor schepen, waar de sedert 1911 in aanleg zijnde spoorbaan begint, die in Noordelijke richting de onderafd. Tëlokbëtong doorsnijdt langs Noord Tëlokbëtong (Tandjoeng Karang), en een weinig.benoorden Tëginënëng de afdeeling verlaat. Dit gedeelte was reeds 1 Januari 1916 in exploitatie.

Het aantal landbouwondernemingen is in de laatste jaren geregeld toegenomen. Hoofdzakelijk wordt hevea (rubber) en koffie als tusschenproduct geplant; op een enkele onderneming wordt klapper- of tabakscultuur gedreven.

Voor de exploitatie van ijzererts-, goud- en koperlagen werden in de laatste jaren mijnconcessies verleend. De hoofdplaats Tëlokbëtong, waar de Resident gevestigd is en standplaats van een Controleur, en de Oosthaven zijn de plaatsen voor in- en uitvoer en centra van de handelsbeweging aan de Lampongbaai. Deze plaatsen staan door stoomers van de Kón. Paketvaart Mij. in verbinding met Batavia, Mërak (Bantam) Kota Agoeng, Kalianda en de kustplaatsen op de Westkust van Sumatra.

De bevolking verbouwt haar rijst op sawahs (voornamelijk in de „Wai Lima") en op droge velden en vindt verder haar hoofdbestaan in de pepercultüur, klappercultuur (deze laatste aan de kuststreken en op de eilanden in de Lampongbaai) en het inzamelen van boschproducten. Tot deze onderafd. behooren de aan de Westzijde der Lampongbaai gelegene eilanden o.a. Pasaran, Tëgal, Tjondong, Maitem, Këlagian, Poehawang, Tandjoeng Poetoes en de Lëgoendigroep.

Het inlandsch bestuur dezer onderafdeeling bestaat uit één districtshoofd, 4 onderdistrictshoofden en kampoeng- en soekoehoófden. De besturende ambtenaar treedt als Magistraat op, terwijl de landraad te Tëlokbëtong sedert 1914 een rechterlijk ambtenaar als tijd» buitengewoon Voorzitter heeft.

Omtrent gebruiken en gewoonten der inl. bevolking wordt verwezen naar de ethnografische beschrijving der Lampongsche Districten.

TËLOMOJO (TËLAMAJA). Een vulkaanrulne in Semarang, welke aan de Z.zijde door de producten van den Mf rbaboe overdekt is geworden. De top bestaat uit een ouderen wijden ringwal (6£ K.M. middellijn) en een jongeren (3,6 K.M.), die bijna geheel bewaard is gebleven. Die beide ringwallen raken elkander in het hoogste punt op 1892 M. (Verbeek, Java, 277, 297).

TÈLONG (BOEB NI). Deze nog werkzame vulkaan, 2685 M. hoog, lijkt als een groote parasiet op den Z. voet van den ouderen Geureudong (2912 M.) opgebouwd te zijn; op den Z.O. voet

verrijst een andere kegel, de Popandji (2428 M.). Dit is de meening van Volz (Nord Sumatra II, 47). De geheele groep verheft zich vlak N. van de Laut Ta war in de Gaj elanden (Atjèh). In het Jaarv. Top. Dienst 1910, 86 en PI. XIX komen een beschrijving met topkaart en een foto voor. De oude krater (200 X 250 M. diameter) is naar Z.O. weggeslagen; de nieuwe krater meet 150 M. in doorsnede en is 85 M. diep; aan de binnenzijde, die uiterst steil is, dampen overal solfataren. Er wordt gesproken van een eruptie omstreeks 1860.

TËLOB IKAN (mal.). Zie HARING.

TËLOR KODOK (mal.). Zie HYGROPHILA.

TËLOR FËNJOE. Maleische naam voor schildpadeieren. Meestal worden hier'mede bedoeld eieren van zeeschildpadden (Cheloniidae) en wel in het bijzonder die van de groote of groene zeeschildpad (Chelonia mydas L.), welke, door Chineezen als lekkernij hoog geschat worden (zie onder SCHILDPADDEN, fam. Cheloniidae II. B. 3.).

TELPOKAN. Mal. têlëpoekan. Zie TAPIH.'

TËMANGGOENG. Afdeeling en regentschap der residentie Këdoe, groot 900 K.M2. en uitmakende het Noordoostelijke deel van het gewest. De afdeeling 'wordt begrensd «ten N. en ten 0. door de residentie Semarang, ten Z. door de afdeeling Magëlang en ten W. door de afdeeling Wonosobo. Zij is verdeeld in twee contróle-afdeelingen, nl. de contróle-afd. Têmanggoeng onder reohtstreeksch bestuur van den assistent-resident, bijgestaan door een adspirant-controleur, met de districten Tëmanggoeng, Pringsoerat en Kaloran en de contróleafdeeling Parakan (standplaats v. d. controleur) met de districten Parakan en Tjahdiroto.

De afdeeling Tëmanggoeng bestaat uit twee deelen, die geologisch en als gevolg daarvan ook economisch, zeer verschillen. Het Westelijke en Zuidwestelijke deel wordt ingenomen door de hellingen van de vulkanen Soembing (3336 M.), Sindoro (3145 M.), Tëlèrèp en Prahoe (2565 M.). Op dien vulkanischen bodem bloeit de tabakscultuur, waarvan de winsten echter voor een groot gedeelte door Chineesche opkoopers worden genoten. De rijkdom aan bévloeiingswater in dit gedeelte maakt drié rijstoogsten in twee jaren mogelijk, echter niet als de rijstcultuur met tabakscultuur wordt afgewisseld. De Oostelijke helft der afdeeling — met uitzondering van den Noordoostelijken hoek, bestaande uit de Zuidwestelijke hellingen ' van den Oengaran (2060 M.) — is tertiaire grond, waaruit nabij de Oostergrens het Djamboe-gebergte is opgebouwd, dat onder dezen naam echter bij de inlandsche bevolking niet bekend is. Het bestaat uit andesiet-brecciën en zandsteenen. In dit Oostelijke gedeelte zijn tëgalvelden het meest voorkomende; de sawahvelden, die men er aantreft, zijn van den regen afhankelijk, omdat de bruisende bergstroompjes in den westmoesson een zoo groot verval hebben, dat zij niet kunnen worden afgedamd, zoodat men met de beplanting der sawah's moet wachten tot den oostmoesson.

De voornaamste rivieren van deze afdeeling zijn de Progo en de Bodri. Eerstgenoemde ontspringt op de Noorderhelling van den Sindoro, wendt zich eerst Noordwaarts, vervolgens Oosten Zuidwaarts en beschrijft alzoo een boog, waar-