is toegevoegd aan je favorieten.

Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WOEJANG— WOEKERPLANTEN.

'.89

deeltje uitgegeven in: Publicaties uit 's Rijks Ethnographiseh Museum, Serie II, no. 4, 1905; ibid. De Bare'e-sprekende Toradja's van MiddenCelebes, 1912, Dl. II, bl. 313-324.

WOEKER, WOEKER WET. Zie OVEREENKOMSTEN, dl. III, bl. 221 en VOLKSCREDIETWEZEN.

WOEKERDIEREN. Zie PARASIETEN.

WOEKERPLANTEN. Woekerplanten noemt mén die planten, die het voedsel, dat zij voor hare ontwikkeling noodig hebben, geheel of gedeeltelijk onttrekken aan levende organismen. Men weet, dat over het algemeen de planten het vermogen bezitten om het belangrijkste element, waaruit haar lichaam is opgebouwd, uit eene anorganische bron te putten, Zg bezitten nl. de eigenschap om onder den invloed van het licht, het koolzuur uit de lucht te ontleden, de koolstof daaruit af te zonderen en hieruit met de bestanddeelen van het water een organische stof, een koolhydraat, te bereiden.

Dit koolhydraat dient dan weder als grondstof voor de vorming van andere koolwaterstoffen en eiwitachtige verbindingen, die samen het voedsel uitmaken, dat de plant noodig heeft.

Niet alle plantendeelen echter zijn tot koolzuurontleding in staat. In werkelijkheid zijn het alleen die organen, die groene kleurstof (bladgroen, chlorophyljbezitten. Deniet-groene deelen: de wortel, de knol, de bol, de stam etc. zijn in hunne voeding van de chlorophyl-houdende cellen afhankelijk; het voor hunne ontwikkeling noodige voedsel wordt hun van uit de bladeren toegevoerd.

Op dien regel echter, dat de planten haar eigen voedsel maken, zijn menigvuldige uitzonderingen. Er zijn planten, die in het geheel geen chlorophyl bezitten, die dan ook niet in staat zijn eenige voedingsmaterie te maken en daarom eenvoudig teren op het organisch voedsel, dat door andere planten is bereid. En naast deze zijn er nog andere planten, die wel is waar in het bezit zijn van chlorophyl, doch niet tot normale ontwikkeling komen, wanneer zij niet een deel yan het benoodigde voedsel aan eene andere bron ontnemen.

Vele stellen zich daarbij tevreden met het voedsel, dat haar in afgestorven plantaardige en dierlijke organismen .wordt aangeboden: s aprophyten, maar andere nemen daarmee geen genoegen en onttrekken het voedsel aan levende organismen en dan vaak ten koste van het leven dier planten en dieren, waarop zij zich vestigen: dit zgn parasieten of woekerplanten,

In de eerste plaats denken wij hier aan het heirleger van bacteriën en van schimmels aan wier voedingswerkzaamheid en daarmee gepaarde ontleding der grondstof wij o.a. te danken hebben, dat alle gestorven planten en dieren, in plaats van zich van jaar tot jaar en van eeuw tot eeuw optehoopen en de aarde met dikke lagen te bedekken, ten slotte geheel aan ons oog worden onttrokken, maar die ook, waar zij als parasieten optreden en levende wezens aantasten, de oorzaak zgn van allerlei ziekten en ten slotte vaak ook van den dood dier organismen. Dergelijke planten, dié in haar voeding zoo belangrijk van dén algemeenen regel afwijken, behoeven wg echter niet alleen te zoeken onder de eenvoudig georganiseerde wezens. Het is volstrekt niet zeldzaam onder de plantenfamilies, die door den

bouw harer bloemen, de wijze van hare bevruchting en zaadvorming en hare verwantschap met andere, gerekend moeten worden te behooren tot de hoogstontwikkelde, vormen aantetreffen, die tot de saprophytische of parasietische leefwijze zijn overgegaan. Dat eene dergelijke belangrijke wijziging in de voeding gepaard gaat met merkwaardige veranderingen in de geheele organisatie van de plant ligt voor de hand.

Maken zij haar eigen voedsel niet meer, dan verdwijnen ook de bijzonder voor de opname van het koolzuur ingerichte organen en vinden wij dan ook bij die -planten vaak in het geheel geen bladeren meer of in de plaats daarvan kleine schubjes. Het licht speelt bij de voeding dan geen rol meer en ook eene levendige verdamping tot ondersteuning der assimilatie en tot opvoering der anorganische bestanddeelen uit den bodem naar de laboratoria, waar de omzetting der organische grondstoffen in voedingsbestanddeelen plaats vindt, is niet meer noodig. De vaatbundels ter opvoering van het water blijven zwak ontwikkeld en houtvorming komt ter nauwernood meer voor.

Natuurlijk staat hier weer tegenover eene ontwikkeling van gansch nieuwe eigenschappen, waardoor de parasiet in staat wordt gesteld in het lichaam van het organisme, waarop zij zich gevestigd heeft, intedringen en daar plaatsen optezoeken, waar zij zich het gemakkelijkst van het voedsel kan meester maken.

Saprophyten en parasieten onder de Phanerog&nien vindt men over de gansche wereld verspreid, in de Tropen meer dan elders, doch ook in andere streken worden zij niet gemist en in ons eigen vaderland behooren zij volstrekt niet tot *de zeldzaamheden.

In onze tropische gewesten komende eigenaardig gebouwde Ealanophoreën voor. Verschillende soorten, behoorende tot de geslachten Balanophora en Bhopalocnemis worden daarvan in de oorspronkelijke wouden in de hoogere bergstreken veelvuldig aangetroffen. Bij de inlandsche bevolking zijn ze wel bekend *) en worden in sommige streken ijverig ingezameld, omdat de knollen dezer Ealanophora's veel was bevatten en de bevolking zich daaruit een soort van kaars weet te maken.

Daartoe worden de knollen fijn gewreven en deze massa op fijne bamboestokjes gebracht en aangestoken.

De BalanopJiora''s en Bhopalocnemis zijn wortelparasieten. Met haar heldergele of somtijds min of meer roodachtige knollen vindt men ze vastgehecht aan de wortels van verschillende boomen als Schima Noronhae (Poespa), Vaccinium, Ficus e. a., meestal min of meer verscholen onder de half vergane bladmassa, die den boschbodem bedekt, zoodat ze gewoonlijk eerst in het oog vallen wanneer ze bloeien.

Bladdragende stengels of iets wat naar een chlorophylapparaat gelijkt, bezitten zij in het geheel niet; de volwassen plant bestaat uit een min of meer onregelmatig gevormden knol en den daaruit te voorschijn tredenden bloemdragenden stengel of de stengels, die in den regel geel zijn gekleurd evenals dé knol. Graaft men eene plant uit den grond, dan blijkt op de doorsnee, dat

1) Op West-Java bijv. op den Gëdé worden zij „proet" geheeten.